Wonderland
Mirwais Sarwary

Illustratie: John Gabriël Stedman
Toen we hier in 1994 aankwamen was ik zeven of acht jaar oud, ik had een droombeeld van dit land. Pa en ma vertelden me vooraf de mooiste verhalen, natuurlijk om het afscheid zo makkelijk mogelijk te maken. In mijn gedachten had ik een beeld van een paradijs gecreëerd. Op de schoot van de juffrouw vertelde ik de groep dat we naar een mooi land gingen verhuizen. Ik was er niet echt verdrietig om, want alles zou beter zijn.
Met een gezin van vijf vroegen we asiel aan en kwamen we terecht in het asielzoekerscentrum Crailo, het tussenstation naar het beloofde paradijs. Het kamp was een soort grijs gebied, net zoals iets tussen hemel en aarde, een magisch wonderland. Ik leerde er fietsen en een beetje Nederlands. Ik maakte er vrienden en kon er kind zijn.
Ik weet nog dat we voor het eerst kennis maakten met het Nederlandse weer. Verwonderd zat ik met mijn ouders en twee zusjes, in ons caravan (met één slaapkamer) voor het raam, een indrukwekkend regen- en hagelbui te aanschouwen. Zodra een stortbui over was renden we naar buiten om te spelen en toen het weer begon te regenen, zaten we gekluisterd voor het raam. We vonden het geweldig, we waren gelukkig.
Eten deden we samen met, voor mijn gevoel, duizenden in een grote kantine. Het was de traditie dat wanneer iemand een plaat vol met eten liet vallen, iedereen “BINGO!” riep. Ik was altijd bang om mijn plaat te laten vallen en daarom extra voorzichtig, maar het zou iedereen eens overkomen. Tijdens een ontbijt gebeurde het ook mij en tot mijn verbazing zorgde het luide “BINGO!” ervoor dat ik kon lachen om de situatie. Ik was blij dat ik iedereen in de zaal kon laten lachen om mijn onhandigheid.
Achteraf denk ik dat dit soort onbenullige momenten werden gewaardeerd, omdat het de dagelijkse sleur in het kamp doorbrak. We vergaten voor even de onzekerheid van ons bestaan en toekomst als vluchtelingen.
Op school zag ik alle kinderen in mijn groep als mijn vrienden, ik weet niet meer hoe we communiceerden, maar we deden het wel. Taalbarrières, culturele- en uiterlijke verschillen waren nog geen redenen om niet aardig voor elkaar te zijn. Misschien voelden we onbewust dat we allemaal in hetzelfde schuitje zaten.
Een ander voorval dat ik me nog goed herinner is, dat ik tijdens het spelen twee kinderen zag die ik niet eerder had gezien. Ze spraken goed Nederlands, maar ze keken boos naar ons. Een middelvinger werd opgestoken, een gebaar dat ik niet kende, maar toch voelde ik dat het niet vriendelijk bedoeld was. Een eerste barst in het wonderlandbeeld was ontstaan.
Goed, het beloofde paradijs was het niet helemaal, maar ik was er niet minder gelukkig om. Wat waren de mensen hier aardig, dacht ik altijd. Dit moest het land van de aardige mensen zijn.
Op de achtergrond voelde ik ook de spanning van mijn ouders die een leven probeerden op te bouwen in een nieuwe wereld vol onzekerheid. Naarmate ik ouder werd, begreep ik hun situatie steeds beter. Zij leefden als spoken in een maatschappij die hen zag als de buitenlanders, de vreemdelingen, die anderen. Ze hadden geen identiteit en afgesneden van hun wortels was het lastig om te bloeien.
Met de tijd en door bepaalde gebeurtenissen begreep ik dat ook ik niet gewoon was wie ik was, ik was ook die andere. Ik voel me geen slachtoffer en ben ook geen slachtoffer. Ik heb gelukkig geen tragische achtergrond of andere ernstige redenen om hier te zijn. Mijn verhaal is niet specialer dan dat van de gemiddelde lezer. Ik heb door mijn achtergrond misschien juist wel het geluk dat ik verschillende culturen beter begrijp.
Ik vind dat ik als ieder ander recht heb om hier gelukkig te zijn. Ik wil me niet steeds bewijzen, omdat ik er anders uitzie. Ik wil niet nog harder werken, zodat ik evenveel kan bereiken als een ‘autochtoon’. Ik heb recht op wat ik verdien. Ik wil niet raarder aangekeken worden wanneer ik fouten maak. Ik wil niet trots moeten zijn op mijn Nederlandse nationaliteit, want ik hecht geen waarde aan nationaliteiten en ik doe niet aan staatsaanbidding. Ik ben vrij als mens en dat is genoeg.
Mijn verhaal als asielzoeker is een zeer gelukkig verhaal, dat kan niet gezegd worden van veel andere asielzoekers. Ik heb het over de omgekeerde bewijslast, de onterechte afwijzingen, de gezinnen op straat of in een gevangenis, de isoleercellen, de gedwongen uitzettingen, het jarenlang wachten in onzekerheid en de zelfmoorden. Het is de marteling van de onzichtbaren, in onze eigen Guantanamo Bays.
Een goede vriend vertelde me onlangs dat zijn oma is overleden in het thuisland. Zij zette met de feestdagen een bord voor hem klaar. Zij trotseerde de pijn van haar langdurige ziekte en zei: “dat ze niet zou rusten voordat ze hem nog een laatste keer in haar armen kon sluiten”.
Helaas oma, hij had de papieren niet.
Hij kon haar al langer dan tien jaar niet bezoeken. Hij is niet vrij om gewoon een leven op te bouwen, omdat hij daarvoor niet de papieren heeft. Ik was ontroerd door zijn verhaal en dat is de reden voor dit stuk.
Ik denk dat we ons moeten afvragen waarom onze regering mensen hun recht op geluk en vrijheid ontneemt en waarom wij dit toestaan. Ik zie liever het wonderland dat ik me als kind inbeeldde, het land van de aardige mensen.
Mirwais Sarwary (ex-asielzoeker) studeert bestuurskunde en hoopt daarnaast de status quo te doorbreken door actief deel te nemen in grassroots-organisaties.





RSS