Frontaal
Naakt

2 juni 2015

De wet van Breuker

Remco Breuker

bad6

Wetenschap is in het nieuws. En het is voor iedereen. Tot 1 mei kon iedereen vragen indienen voor de Nationale Wetenschapsagenda, vergaarbak van “de thema’s waar de wetenschap zich de komende jaren op zal gaan richten” volgens Wetenschapsvisie 2025, het wetenschapsbeleidsplan voor de komende tien jaar. Wetenschappelijk Nederland wacht met ingehouden adem af welke vragen op de Nationale Wetenschapsagenda zullen belanden. Deze nieuwe aanpak heeft tot de nodige discussie geleid. Het debat besteedt echter aan een belangrijk aspect geen enkele aandacht.

Twee belangrijke pijlers uit Wetenschapsvisie 2025 zijn het aantrekken van externe geldstromen en kennisbenutting (valorisatie). De wetenschapper moet de ivoren toren uit, de maatschappij in, zowel om financiering te vinden, als om de maatschappelijke relevantie van haar product aan te tonen. Het kabinet onderstreept daarbij dat kennisbenutting niet alleen economische benutting van kennis omvat, maar ook het benutten van kennis voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken of het bijdragen aan maatschappelijke discussies.

Moreel-wetenschappelijke plicht

Als hoogleraar Koreastudies kan ik uit ervaring meepraten over deze twee pijlers en het belang ervan. Voor mijn eigen onderzoek heb ik vaak en veel externe subsidies aangevraagd en gekregen, uit Den Haag, Europa en Zuid-Korea. Dit heeft mij in staat gesteld grote onderzoeksprojecten uit te voeren. Het is voor mij nooit de vraag geweest of, maar hoe deze kennis en de onderzoeksresultaten in dienst kunnen worden gesteld van maatschappelijke discussies. Met name met betrekking tot onderzoek over Noord-Korea acht ik het mijn moreel-wetenschappelijke plicht om mijn kennis zo breed mogelijk wereldkundig te maken. Uit ervaring moet ik echter ook constateren dat de twee pijlers van valorisatie en externe financiering schuren.

Wetenschap is eerlijk en zorgvuldig; betrouwbaar; controleerbaar; onpartijdig; en onafhankelijk, aldus de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Dit zijn de eisen die aan wetenschappelijk onderzoek en aan de uitkomsten ervan worden gesteld; geen andere. Ook – juist­ – als niemand de onderzoeksresultaten wil horen. Goed onderzoek begint met het stellen van de juiste vragen en houdt zich niet bezig met het geven van sociaal wenselijke antwoorden.

Maar in een landschap waarin externe financiering (uit binnen- én buitenland) steeds belangrijker wordt en de roep om kennisbenutting steeds harder klinkt, kan dit in praktijk leiden tot subtiele, of minder subtiele inmenging in het proces van vraagstelling, onderzoek en resultaatverwerking.

Ongeoorloofde inmenging

Het debat hierover wordt momenteel wereldwijd gevoerd naar aanleiding van incidenten waarbij sprake was van ernstige ongeoorloofde inmenging in academische zaken door vertegenwoordigers van de Chinese overheid. De New York Times besprak recent het boek Confucius Institutes: Academic Malware van Marshall Sahlins waarin stelling wordt genomen tegen Chinese overheidsbemoeienis in academische aangelegenheden in de VS. De conclusie van dat boek was: dan maar even geen geld uit China. Dat is geen conclusie die ik noodzakelijkerwijs onderschrijf, maar de discussie moet gevoerd worden.

Voor een serieuze visie op de Nederlandse wetenschap is het een fundamentele omissie in de Wetenschapsvisie 2025 – dat inzet op kennisbenutting (niet alleen van het eindproduct, maar al bij het vaststellen van de onderzoeksthemata) en externe geldstromen – dat er niet wordt gewezen op de kenbare risico’s van deze twee pijlers. Verwerving van externe financiering, zeker in combinatie met nadruk op kennisvalorisatie, vereist een uitermate dogmatische interpretatie van de academische vrijheid. Het vraagt om een constante alertheid op onwenselijke inmenging.

Als wetenschapper die onderzoek uitvoert met externe gelden én die midden in het publieke debat, nationaal en internationaal, staat, ben ik mij daar dagelijks bewust van, maar zie ik ontwikkelingen die me ernstig doen twijfelen of valorisatie en externe financiering op het moment wel door een deur kunnen.

Politiek gemotiveerde aanklachten

Kennisbenutting in de geesteswetenschappen klinkt een stuk eenvoudiger dan het is. Onderzoek naar beladen onderwerpen is precies wat de geesteswetenschappen, daartoe uiteindelijk gemandateerd door de maatschappij, vaak doen. Of de onderzoeksresultaten sociaal provocerend of controversieel zijn, doet er niet toe zolang ze wetenschappelijk verifieerbaar zijn. Om sociaal relevant te zijn en breed te kunnen worden begrepen, moet de wetenschapper het publieke domein betreden en zijn/haar inzichten duidelijk vertolken. Maatschappij, wetenschap en subsidieverstrekkers hebben samen de ivoren toren afgebroken en daarmee is duidelijke stellingname onvermijdelijk geworden. Niemand wil verdwalen in eindeloze disclaimers. Kennis moet benut worden en kennis wordt nagestreefd vanwege het verwachte maatschappelijke nut. Klaar.

Dat is een begrijpelijk standpunt. Maar ook ontstellend naïef. Elke wetenschappelijke inbreng, hoe onafhankelijk en verantwoord uitgevoerd ook, verkrijgt politieke lading zodra deze in een politiek krachtenveld (en dat is de samenleving) wordt ingebracht. Voor de wetenschapper is zijn/haar stellingname wetenschappelijk. Voor ieder ander politiek. De politieke stellingname van de wetenschapper roept vanzelf een tegenreactie op. Deze tegenreactie is wellicht maatschappelijk, politiek, diplomatiek, of economisch van aard en misschien zelfs fysiek, maar niet wetenschappelijk. De wetenschapper kan zich niet of nauwelijks verdedigen tegen politiek gemotiveerde aanklachten. Sterker nog, hij/zij beseft wellicht niet eens politiek stelling te nemen.

Geldkraan dichtgedraaid

De rol van niet-wetenschappelijke entiteiten zoals nationale overheden, multinationals en instellingen in onderzoeksfinanciering wordt steeds groter. Niet iedereen doet zijn best om net als NWO of ERC onafhankelijk onderzoek te garanderen. En zeker in de geesteswetenschappen financiert het beoogde doel van onderzoek nog wel eens het onderzoek. Daarbij is soms sprake van verschillende verwachtingen: de broodheer verwacht dan naar de mond gepraat te worden. Gebeurt dat niet, dan wordt de geldkraan dichtgedraaid. Anders gezegd: de uitspraken van een wetenschapper brengen zo de financiën van het eigen wetenschappelijke instituut in gevaar.

Laat ik dit scenario van een financierende externe instantie eens iets verder doordenken en wel op mijn eigen vakgebied, Koreastudies. Ik duid gebeurtenissen in Zuid-Korea. Ik meng me bewust in het debat over Noord-Korea en de mensenrechtenschendingen daar. Dit is volgens mij mijn maatschappelijke plicht als wetenschapper. Hiermee neem ik, hoewel ik dit niet ambieer, ook publiekelijk politiek stelling.

Dat veroorzaakt tegenreacties, zeker als mijn stellingname ingaat tegen de mening van de meerderheid. Akelige e-mails die me de Noord-Koreaanse strafkampen inwensen. Stakeholders die verbolgen zijn. Daar kan ik mee omgaan. Daar is het publieke debat voor.

Groeiend probleem

Moeilijker is het omgaan met tegenreacties die direct ingrijpen in de onmisbaar geworden derde geldstroom, de externe fondsen. En is het au fond onbegrijpelijk dat een instantie die onderzoek financiert geen resultaten wenst die de eigen positie ondermijnen? Verkeerd wellicht (dan had je namelijk een PR-bureau moeten inhuren en geen wetenschapper moeten ondersteunen), maar niet onbegrijpelijk. Ik ben een alfawetenschapper, maar ik zie hier een wiskundige formule is: het publiekelijk doen van sociaal controversiële maar wetenschappelijke gefundeerde uitspraken is omgekeerd evenredig aan het beschikbaar blijven van externe fondsen. Laat ik dat onbescheiden de Wet van Breuker noemen.

Gezien het steeds toenemende belang van externe geldstromen in de wetenschap vandaag de dag én de steeds grotere nadruk die wordt gelegd op kennisbenutting als fundamentele waarde van de wetenschap, mocht verwacht worden dat Wetenschapsvisie 2025 zich tenminste rekenschap zou geven van de latente spanningen hier. Dat gebeurt helaas niet. Terwijl dit een fundamenteel en groeiend probleem is dat maatschappelijk relevant wetenschappelijk onderzoek en de communicatie daarvan naar de mens in de straat kan fnuiken.

Dus wiens brood men eet, wiens woord men spreekt? Geen als provocerend of onwelgevallig ervaren uitspraken meer doen als wetenschapper? Dan wordt wetenschap PR en heeft de wetenschapper in zo’n scenario geen andere maatschappelijke plicht meer dan te behagen.

Gezonde wetenschapsbeoefening

Het staat wat mij betreft buiten kijf dat kennisbenutting en externe onderzoeksfinanciering zowel conceptueel als praktisch belangrijke pijlers van een gezonde wetenschapsbeoefening zijn. In de huidige maatschappij (ook internationaal) zijn er echter zeer grote risico’s verbonden aan beide in combinatie met elkaar. Het vereist meer dan het lanceren van een Nationale Wetenschapsagenda of populistische one-liners over academische ivoren torens om hier serieus een duurzame oplossing voor te vinden. Maar laat dat nou precies zijn wat ik van een ambitieus en doordachte kabinetsvisie op de wetenschap in de komende tien jaar had verwacht. Hadden ze misschien wel even hun eigen torentje uit moeten komen.

Remco Breuker is hoogleraar Koreastudies aan de Universiteit Leiden. Hij is te volgen op Twitter.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home