Het raadsel Mohammed
Hafid Bouazza

Illustratie: Miriam Pertegato
De interesse voor de islam en de islamitische cultuur heeft vaak, om niet te zeggen altijd, een politieke en gewelddadige oorzaak. Om een voorbeeld te geven: ten tijde van de eerste Golfoorlog (tussen Irak en Iran, 1987-1989) kende de Universiteit van Amsterdam een stijging in het aantal meldingen voor een studie aan het IMNO, Instituut voor het Moderne Nabije Oosten.
Een ander voorbeeld is dat de koran in Amerika, na de aanslagen op het WTC op 9 november 2001, wekenlang op de eerste plaats stond van de bestsellerlijsten. Treurig maar waar. Hoewel begrijpelijk, is het een denkfout: als niet-moslim in het heilige boek van de moslims antwoorden zoeken voor de huidige problemen en bloeddorst, is hetzelfde als als gefrusteerde moslim in je heilige boek naar antwoorden te zoeken voor je huidige politieke en sociale misère. Dat boek biedt geen antwoorden.
Dat de islamitische cultuur in zijn langvervlogen goede tijden, alle interesse en nieuwsgierigheid verdient, staat buiten kijf: de islamitische hoogtijdagen hebben superieure dichters, schrijvers, denkers, wetenschappers en filosofen voortgebracht nee, eigenlijk moet ik zeggen dat grote, individuele geesten de islam aan zijn bloeitijd hebben geholpen.
Een van de meest opmerkelijke Arabisten die na de islamitische rampen naar voren kwam als een indiosyncratische denker en schrijver was Hans Jansen, die vooral opviel door zijn niet te breidelen, soms arrogante ironie en die zich altijd bewust leek dat genoemde interesse gewekt werd door bloed en dat de nieuwsgierigheid niets anders was dan angst op zoek naar een toevluchtsoord in hapklare kennis.
Jansen is de auteur van een biografie van Mohammed, de profeet van de islam: De historische Mohammed – De Mekkaanse jaren. Dit deel, dat het leven van Mohammed behandelt tot zijn immigratie naar Medina, is gevolgd door een tweede over de Medinenzische jaren. Deze splitsing van Mohammeds leven in twee perioden, genoemd naar de twee plaatsen waar hij zijn religie gestalte gaf en voltooide, is gebaseerd op de tweedeling van de soera’s in de koran, de koranverzen die hij in zijn beginperiode (rond zijn veertigste) in Mekka via de aartsengel Gabriël (Djibriel in het Arabisch) van God zou hebben ontvangen en de openbaringen in Medina, waar hij zijn politieke macht vestigde.
De keuze van Jansen is alleszins te rechtvaardigen: als we de koran als leidraad nemen voor de persoonsontwikkeling van Mohammed, dan is er zeker een verschil aan te duiden tussen de Mekkaanse openbaringen en de Medinenzische. De eerste zijn orakelachtig en hebben af en toe poëtische zeggingskracht; de tweede zijn wettisch en taai en saai.
Wat voor man was Mohammed eigenlijk?’ schrijft Hans Jansen in zijn woord vooraf’ en die zin is kenmerkend voor zijn boek, want het boek is een grote vraag bij de tot nu toe geaccepteerde versie van Mohammeds leven en de conventionele interpretatie van de koran. Het boek is een processie van vraagtekens en dat maakt het niet alleen verhelderend, maar ook verfrissend.
Verhelderend omdat zijn bedenkingen laten zien hoe vastroestend onkritische aannames kunnen zijn en verfrissend omdat een optrekkende mist altijd verfrissend is. Religie is een zucht naar mythen, wetenschap nieuwsgierigheid naar feiten. Jansen probeert de feiten naar boven te halen uit het knekelhuis van de mythe en hij geeft als eerste toe dat je dan slechts wat botjes en kootjes opdelft. Dit is niet ontmoedigend, integendeel. Vraagtekens dienen onophoudelijk geplant te worden op de bergrug van kritiekloze aannames.
Het begint al met de geboortedatum van Mohammed: Wie het verhaal van Mohammed dan ook wil laten beginnen bij zijn geboorte, begint dus op het punt waar de onzekerheid het sterkst is,’ schrijft Jansen. De officële biografie van Mohammed, zoals moslims die kennen (compleet met engelen, duivel, een gevleugelde muilezel met een vrouwengezicht en een bezoek aan hel en paradijs de moslims kennen geen vagevuur), is in essentie niet een reconstructie, maar een creatie. Een paragon, een toonbeeld. Van wc-bezoek tot spirituele zaken, van seks tot voedsel op alles had Mohammed ooit een antwoord gegeven en in alles moest hij het lichtend voorbeeld zijn.
Sommige details uit zijn levensbeschrijving zijn verrukkelijk en weten zijn levensbeschrijving’ te verlevendigen, maar zijn ze daardoor authentiek? Zo wordt er verteld dat zijn neef en schoonzoon Ali, toen hij het lijk van Mohammed waste, het water, dat zich in diens ooghoeken verzamelde, opzoog (een teder detail), maar dat hij ook, volgens de historicus Gibbon in The decline and fall of the roman empire (1776), die zich baseerde op Latijnse vertalingen, uitriep: O profeet, voorwaar, je penis is richting hemel opgericht.’ Ook over zijn seksuele gedragingen worden we ingelicht maar is het betrouwbaar? Uiteraard niet.
Het ironische en aantrekkelijke aan de oudste vertellingen over het leven van Mohammed (of Mahomet, Machomet, Makomet, Mahoen, Moene) is dat ze literaire kwaliteiten bezitten, dat hij als literair personage bijzonder overtuigend is, een gesamtkunstwerk, waaraan nog steeds geschaafd wordt al is het literaire aan hem versleten. Het ironische is dat hij, tot literatuur verworden, een felle tegenstander was van literatuur. Retoriek,’ zou hij hebben gezegd, kan magie zijn.’ Met magie zou hij hebben bedoeld leugen presenteren in het gewaad van waarheid.’ Opvallend genoeg definieert Vladimir Nabokov in zijn boek over Nikolai Gogol kunst als de masker van irrationalieit in het mom van rationaliteit.’ Mohammed moet iets van een genie zijn geweest; zijn probleem is dat hij geen kunstenaar was, want die is zich bewust van zijn bedrog.
Ik heb mij altijd afgevraagd of zijn felle aanvallen op dichtkunst en dichters (de dichters worden gevolgd door de dwalenden! Ziet u niet hoe zij in wadi’s dolen en dat zij zeggen wat zij niet doen?’ dondert hij in soera De Dichters’ Mohammed deed namelijk wat hij dreigde of zei) uit frustratie om zijn gebrekkige poëtische kwaliteiten. Natuurlijk, in die tijd werden dichters gezien als personen die in contact stonden met demonen, die ze hun kunst zouden influisteren. Mohammed werd ingefluisterd door God, bezwoer hij.
De Byzantijnse geschiedschrijver Theophanes (8ste eeuw) was de eerste die schreef dat hij een epilepticus was. Hij heeft gelijk, denk ik en ik heb hier helaas niet de ruimte om daar uitgebreid op in te gaan. (Over zijn eerste visioen van Gabriël wordt bij zijn monde vertelt dat hij een borend gevoel in zijn buik voelde; in een case study maakt een epilepticus gewag van een zelfde soort sensatie voordat zijn hallucinaties op bezoek kwamen.) In dit verband wil ik ook graag verwijzen naar The travels of Sir Mandeville, die een amusante levensbeschrijving van Mahomet bevat, waarin hij wordt voorgesteld als een rijke koopman uit Khorasan.
Kunst, zegt Nabokov, scheert langs irrationaliteit. Religie tuimelt erin, zou ik willen toevoegen. Jansen is een wetenschapper en zijn behandeling van Mohammeds historisch leven is niet een poging om Mohammed te begrijpen, maar een poging om wetenschappelijke methodes toe te passen om hagiografie en biografie te scheiden. Zijn boek is onder meer waardevol omdat hij het belang van de revolutionaire, taalkundige ontdekkingen van Christoph Luxenberg (een pseudoniem van een Libanese onderzoeker) in zijn boek Die Syro-Aramäische Lesart des Koran (2000) onderkent en meeneemt in zijn kritische beschouwingen. Het meest opmerkelijke is hoe hij aantoont hoezeer het Christendom als een watermerk door de islam schijnt.
Uiteindelijk gaat het boek niet enkel over Mohammed zelf (we blijven achter met twee handen vol vraagtekens), maar ook over onderzoeksmethoden. Methoden die gefrusteerd worden door moslims die hangen aan de mythe. Het is daarom opvallend en wrang om te merken hoe Jansen zich inhoudt: hij probeert met moeite zijn ironie te beteugelen en dat is op zich niet erg, want hij treedt nu niet op als commentator, maar als wetenschapper. Dat is begrijpelijk in het huidige klimaat van religieuze bedreigingen en verontwaardiging, maar gekmakend en onverteerbaar. Zelfs een wetenschapper behoort zijn ironie te behouden, want ironie is een kwestie van stijl, niet van levenshouding.
Of moslims het aangenaam vinden of niet: Mohammed is een universeel onderwerp en is zodoende van iedereen, gelovig of ongelovig. Niet alleen aan moslims zou ik dus willen zeggen: lees dit boek.
Hafid Bouazza (1970) schildert, componeert, kookt, goochelt, bedwelmt, prikkelt de zinnen en verruimt de geest met zijn woorden. Onderga zijn boeken. Dit artikel is eerder gepubliceerd in HP/De Tijd.





RSS