Frontaal
Naakt
28 augustus 2007

Moddergooien

Jona Lendering

Pompeii13 (25k image)

1

De zestiende eeuw, de Lage Landen. Karel V voert een centralisatiepolitiek. De florijn is de eenheidsmunt, er komt een centrale rekenkamer, de lokale overlegorganen vergaderen op bovengewestelijk niveau als Staten-Generaal en in de Pragmatieke Sanctie wordt vastgelegd dat de zeventien gewesten voortaan dezelfde landsheer zullen hebben. Na 1555 harmoniseert Karels zoon Filips II ook de belastingen. Voorbeeldig beleid allemaal, maar toch klinken er protesten. De lokale overheden, die sinds mensenheugenis de belastingen hebben geïnd, zien zich beperkt in hun bevoegdheden.

Nu is het wat lastig je te verzetten tegen een vorst die ongelijkheid uit het belastingrecht wegstrijkt, maar geen nood. Tot de nieuwe instellingen behoort ook een onderzoeksrechtbank die erop toeziet dat religieuze discussies niet via ketterij escaleren tot geweld: de Inquisitie. De voorstanders van de gewestelijke voorrechten richten hun protesten vooral tegen deze instelling, in de hoop dat de koning aan populariteit zal inboeten, zodat het intrekken van de andere maatregelen mogelijk wordt.

Helaas was de Spaanse Inquisitie in 1566, toen de klachten werden gepresenteerd, niet meer wat ze was geweest. Tijdens de regering van de overgrootouders van Filips II waren honderden niet volledig tot het Christendom bekeerde moslims levend verbrand en duizenden joden verdreven. Maar dat was lang geleden. Opnieuw: geen nood – de agitatoren bedachten gewoon wat gruwelverhalen. Vooral het door ene Montanus opgestelde, grotendeels uit verzinsels bestaande zwartboek De praktijken van de Heilige Spaanse Inquisitie zorgde ervoor dat de schrik er goed in kwam te zitten.

Filips II behield zijn waardigheid. Een koning schold niet en stond boven moddergooien. Het gevolg is dat Montanus’ beeld van wrede inquisiteurs, die desnoods het biechtgeheim schonden om mensen tot een gruwelijke vuurdood veroordeeld te krijgen, eeuwenlang is blijven hangen. Pas toen na de dood van Franco in 1975 de archieven van de Spaanse Inquisitie open gingen, bleek dat deze rechtbank voor die tijd zeer professioneel en humaan zijn werk had gedaan. Het aantal executies bleek lager te liggen dan het aantal doodvonnissen van andere rechtbanken. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat alles pais en vree was in de aanloop naar de Tachtigjarige Oorlog, maar de voornaamste reden van de onrust lag niet bij Filips’ religieuze intolerantie.

Als er een les te trekken valt, is het dat ‘boven valse beschuldigingen staan’ geen goede strategie is als je opponent met modder gooit. Maar hoe reageer je wel?

2

Neem het onlangs verschenen driedubbeldikke zomernummer van De Gids, een van de oudste en meest gerespecteerde literaire tijdschriften van ons land. De redactie had het aardige idee een aantal auteurs uit te nodigen een stuk te schrijven aan de hand van de titels van de 107 essays van de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592). De lezer zal echter vaststellen dat er geen 107, maar 108 artikelen zijn. Op Arjan Peters’ essay ‘Over de onzekerheid van ons oordeel’ volgt een tweede stuk met dezelfde titel, geschreven door Elsbeth Etty.

De verklaring voor deze verdubbeling lijkt voor de hand te liggen. Montaignes bespiegelingen over de onzekerheid van het menselijk oordeel kunnen worden beschouwd als de kern van zijn sceptische filosofie. Je denkt daarom al snel dat de redactie het belang van dit essay heeft willen onderstrepen door over die titel twee critici het woord te geven. Maar dat blijkt te keurig gedacht.

Peters betoogt “dat recensenten goed [moeten] nadenken over hun oordeel alvorens zij een stuk schrijven”. Als voorbeeld van hoe het niet moet, voert hij Etty op, die ooit aan hem zou hebben toevertrouwd dat ze eens een boek positief had besproken dat ze eigenlijk slecht vond. Zij zou daarmee “het voze vooroordeel” voeden “dat recensenten doen alsof ze boeken bespreken, terwijl ze feitelijk aan politiek doen”.

Peters neemt daarmee een alleszins respectabel standpunt in, al zal menigeen zeggen dat dit geen voos vooroordeel is maar een veel voorkomende praktijk. Maar zolang we daarover geen cijfers hebben, staat het Peters vrij te stellen dat dit inderdaad slechts een vooroordeel is.

Zou hij het hierbij hebben gelaten, er was weinig aan de hand. Hij onderbreekt zijn essay echter met een batterij insinuaties. Etty zou zó dronken zijn geweest dat ze bij het opstaan van tafel een glas wijn had omgegooid, zou een boer hebben gelaten en had “haar sigarettenpeuk met een trefzeker gebaar pal naast de asbak in het smetteloze tafelkleed geboord”. Dit is geen terzake doend argument maar laster.

Zo dacht de redactie van De Gids er blijkbaar ook over, getuige het feit dat ze Etty om een reactie vroeg. Zij zal de les hebben gekend die Filips II dacht te kunnen negeren: blijf er nooit boven staan. Modder, eenmaal geworpen, levert altijd een vlek op, tenzij jij de modderwerper als zodanig kunt ontmaskeren. Dat betekent dus dat Etty haar eigen lezing van het bewuste incident moet presenteren, of bewijzen dat er geen incident is geweest.

Nu is Peters vaag. De enige tijdsaanduiding die hij biedt is “ooit”, wat het voor Etty onmogelijk maakt een alibi te geven (“op die en die datum was ik daar niet”). Peters geeft zijn beschuldiging weliswaar een schijn van controleerbaarheid door een getuige te noemen, maar in de argumentatieleer geldt dat testis unus, testis nullus, “één getuige is geen getuige”. Zelfs als Etty die ene getuige ertoe zou kunnen brengen Peters tegen te spreken, heeft ze niets bewezen. Ze kan de beschuldiging dus niet pareren binnen de grenzen van wat logisch is toegestaan.

Dat hoeft ze trouwens ook niet, want Peters noemt geen feiten die zich lenen voor toetsing en zijn woorden hebben daardoor slechts de status van insinuatie. Maar de modder is daar, en om toch het Filips II-scenario te kunnen vermijden, is ze aangewezen op buitenlogische middelen. Daarom brengt ze in herinnering dat van Peters bekend is dat hij voor het Literair Productiefonds boeken heeft geprezen die hij elders negatief beoordeelde.

Zo’n argumentum ad hominem hoeft op zich niet onredelijk te zijn. De beeldhouwer die van een schoenmaker te horen krijgt dat de voeten van een standbeeld onjuist zijn weergegeven, heeft gelijk als hij zijn criticus, wanneer die ook een oordeel geeft over de houding van de geportretteerde, vermaant dat hij zich bij zijn leest moet houden. Dat Peters eerder de spelregels heeft gebroken is relevant omdat hij er opnieuw de hand mee licht.

Helaas laat Etty het daar niet bij en het is alsof we een nieuwe Montanus lezen. Peters heeft “een door benepen jaloezie en wraakzucht aangetaste geest” en probeert “anderen naar zijn niveau van denken omlaag te trekken door het stelselmatig en consequent in omloop brengen van leugens” – kortom “Peters liegt altijd” (Etty’s cursivering). Dit laatste nu is een redenatiefout die bekendstaat als secundum quid: dat Peters eenmaal is betrapt op onoprechtheid, betekent niet dat hij in het onderhavige geval liegt, of dat zelfs altijd zou doen. Etty’s gekrenktheid is navoelbaar, maar deze reactie is beneden het niveau dat aanvaardbaar is van iemand die zich in het bedoelde nummer van De Gids presenteert als ‘hoogleraar literaire kritiek’.

3

Want dat is het eigenlijke pijnpunt. Ook als Arjan Peters een zinvol betoog ontsiert met een voor zijn argumentatie niet terzake doende beschrijving van Etty’s vermeende dronkenschap en een bewering die hij onvoldoende onderbouwt, mag Etty zich onder geen beding verlagen tot datzelfde niveau. Hoogleraren gooien niet met modder. Dat wil niet zeggen dat Etty even machteloos zou zijn als Filips II. Juist om aan dit soort situaties te ontsnappen, is de wetenschappelijke methode ontworpen, en daarnaar had Etty eenvoudig kunnen verwijzen.

‘Wetenschappelijke methode’ is een deftige manier om iets te typeren dat in wezen simpel is. In de eerste plaats: beweringen die onjuist zijn, moet je intrekken. De academische onderzoeker zit in de zeldzame positie dat hij er eer mee inlegt als hij een fout in eigen werk verbetert – een privilege dat brandweerman, beursanalist en chirurg hem benijden. In de tweede plaats: beweringen moeten voldoen aan nauwkeurig omschreven eisen van toetsbaarheid en logica. Voldoen ze daaraan niet, dan zijn ze niet te bediscussiëren (“zinledig”). Etty had kunnen volstaan met het antwoord dat Peters’ insinuatie zich niet leende voor een steekhoudende discussie, en dat hij met voor weerlegging vatbare (“toetsbare”) beweringen op de proppen moet komen, zoals datum en voldoende getuigen. Dat zou genoeg zijn geweest om Peters te ontmaskeren. Zo makkelijk is het soms.

Dat Etty de voor de hand liggende weg niet kiest en zich schuldig maakt aan een secundum quid, maakt haar kwetsbaar voor de verdachtmaking “zie je wel, ze is bang dat Peters straks wel de aanvullende gegevens kan leveren”. Dat zij zo; de schade beperkt zich tot één persoon. Het is erger, omdat het de gemeenschap treft, dat blijkbaar een hoogleraar wordt gefinancierd die het wetenschappelijk métier niet beheerst of verkiest te negeren. Dat is pas echt schokkend. Gelukkig staat daar tegenover dat Etty er als universitair medewerker eer mee inlegt als ze haar vergissing toegeeft en – ik schrijf dit zonder sarcasme omdat ik gelóóf in de wetenschappelijke methode – eens aanschuift bij een eerstejaarscollege Academische Vaardigheden waarbij redenatiefouten worden uitgelegd.

Tot slot Peters. Ik denk dat hij er niet verstandig aan heeft gedaan de uitnodiging van de redactie aan te nemen. Terecht of onterecht associeert het publiek zijn naam met een oneerlijk oordeel. Rekening houdend met wat de lezers al van hem denken (het ‘ethos’ van de auteur, om de klassieke term te gebruiken), had Peters er beter aan gedaan óf een apologie te schrijven óf er het zwijgen toe doen, zoals Michaël Zeeman niet schrijft over boekendiefstal en Adriaan van Dis niet over plagiaat.

Nu Peters ervoor heeft gekozen te schrijven en zich presenteert als ‘redacteur en literatuurcriticus van De Volkskrant‘, komt de vraag op of hij op de hoogte is van de journalistieke basisregel dat één bron onvoldoende is, zeker als je zelf die bron bent en er slechts één getuige bij heeft gezeten. Door zijn onvoldoende beargumenteerde bewering voedt hij het voze vooroordeel dat hij alleen doet alsof hij een essay schrijft met een aan Montaigne ontleende titel, terwijl hij in feite een vete uitvecht.

Net als Etty geeft Peters blijk van een onthutsend gebrek aan kennis van de basisregels van het eigen vak, en zoals Etty vragen doet rijzen over het benoemingenbeleid van haar universiteit, zo brengt Peters de journalistieke mores van zijn krant in diskrediet. Teken niet met ‘hoogleraar’ en stel jezelf niet voor als journalist als je beroep blijkbaar te moeilijk voor je is. In elk geval zijn nieuwe diepten bereikt in de vaderlandse literatuurkritiek. Gelukkig zijn er auteurs die inspirerender essays schrijven. In het zomernummer van De Gids staan er ruim honderd.

Jona Lendering is historicus en publiceerde onlangs een boek over de antieke krijgskunst, Oorlogsmist. Zie hier zijn eerdere artikel over argumentatieleer.