Frontaal
Naakt

5 november 2007

Pijnstillers

Peter Breedveld

mk024def (210k image)

Ik ben verslaafd aan pijnstillers. Diclofenac, om precies te zijn. Zodra ze zijn uitgewerkt, begin ik onbedaarlijk te rillen en te klappertanden. Mijn lichaam krimpt samen en ik kan helemaal niks meer doen.

Ik heb dat altijd gehad, die neiging om overal verslaafd aan te raken. Als kind was ik verslaafd aan melk (nog steeds) bitterkoekjes, aan alles waar kaneel in zit en aan chocola (ook nog steeds), daarna Coca-Cola, daarna Chocomel, daarna gevuld speculaas (altijd nog wel ergens te krijgen, als je maar goed zoekt). In alcohol ben ik pas heel laat geïnteresseerd geraakt, pas rond mijn twintigste. Maar sindsdien kan ik niet meer zonder witte wijn. Pistache, cashewnoten, welke koekjes ook, chocoladerepen, als ik er eenmaal aan begin, moet het meteen helemaal op en daarna ga ik naar de winkel om nog meer te halen. Ik kan helemaal nergens anders meer aan denken totdat er een zekere verzadiging is bereikt. De volgende dag ren ik vijftien kilometer om boete te doen.

Twee dagen en twee nachten in het ziekenhuis volstonden om me aan mijn nieuwste verslaving te helpen. Ik kreeg de hele tijd een pijnstiller via een infuus toegediend maar omdat dat blijkbaar niet genoeg hielp, kreeg ik ’s nachts ook nog methadon in mijn ene been en later nog een andere injectie in het andere. De twaalf uur daarop bracht ik in een soort limbo door. Duizelig, slaperig, misselijk. Ik werd in een rolstoel door het ziekenhuis gereden naar de afdeling waar een CT-scan van mijn nieren zou worden genomen. Toen ik daar geparkeerd stond – met mijn rug naar het rumoer in de wachtkamer toe – voelde ik me net Robert de Niro in The Awakenings.

Ik heb dus flink wat verdovende middelen gekregen. Goed dat ik de uroloog wist te overtuigen me na twee dagen te ontslaan. Al moet ik zeggen – in alle eerlijkheid – dat ik nu vreselijk heimwee heb. Die methadon voelde goed, al ging de pijn in mijn nier er niet echt van weg. Ik werd er rozig van en liet me meevoeren op de stroom van mijn onderbewustzijn. Engelachtige vrouwen overspoelden me met warme liefde en in mijn hoofd ontstonden vanzelf poëtische, cryptische zinnen waar ik niks van begreep, maar die me een fijn gevoel gaven. Een gevoel alsof ik dicht bij God was. Ik ben ze allemaal vergeten. Ik had ook een bizarre droom, die heb ik onthouden. Daarover later meer.

Terwijl de afdeling waar ik lag, dat leek wel één van de negen cirkels van de hel. Uit de gang kwam continu het gekerm en gejammer van oude mensen, een vrouw die hyperbolische braakgeluiden maakte, “BWÈÈRGH! BEUULLLK!” en een man die de hele nacht bleef doorroepen: “Zuster! Zuster!” De dienstdoende verpleger werd er gek van. “Beste man”, hoorde ik hem eerst zeggen “Jij hebt ze niet allemaal meer op een rijtje.” Maar dat interesseerde die man niks. “Zuster! Zuster!” – Ga slápen, man!” drong de verpleger aan. “Het is midden in de nacht!” Het hielp niks. “Zuster!” – “Mond dicht!” “Zuster!” – “Mond dicht!” “Zuster!” –“Bek dicht of ik timmer hem dicht!” “Zuster!” De verpleger deed de deur van de kamer dicht, waar de man lag. Een minuut of zo klonk het “Zuster!” gedempt, maar daarna weer op volle kracht, dwars door de dichte deur heen: “ZUSTEEER!! ZUSTEEER!!”

De volgende dag, toen ik groggy in mijn rolstoel op mijn CT-scan zat te wachten, hoorde ik hem achter me: “Zuster! Zuster!”

Oude mensen, zelfs als ze aardig zijn, zijn bijna altijd vervelende drammers. Ze zullen en moeten zoveel mogelijk van andermans tijd in beslag nemen en in de weg gaan staan. Ze hebben altijd wat te vragen, ze verzinnen altijd bezwaren, het houdt nooit op. Toen ik op de afdeling kwam, lag er een oude man, een hele sympathieke man, die niet meer naar huis wilde. Hij moest plassen in een zak die aan zijn been geplakt zat en als hij zelf leerde die zak te bevestigen, kon hij naar huis. “O, maar ik leer heel moeilijk”, zei hij tegen de verpleegster. “Dat duurt me zeker een week om te leren, daar zou ik maar rekening mee houden, als ik u was”. “Nee hoor, dat leert u zo”, zei de verpleegster kordaat. Die middag kon hij vertrekken, al had hij tal van obstakels aangedragen om de verpleegster ervan te overtuigen dat het nooit kon, zo met die zakken, want dit en dat en zus en zo. “Dan moet ik voorover buigen! En dan met die lange onderbroek op mijn knieën!” Je hoorde die verpleegster bijna denken: “Je kunt me wat, ouwe. Jij vertrekt. Toedeledoki.”

Daarna kreeg ik een buurvrouw, een 89-jarige met een gebroken heup. Wat een fucking nachtmerrie. Ze liet me keer op keer uit bed klauteren en met mijn infuus, dat aan zo’n metalen kapstok op wieltjes bevestigd was, naar haar toe te komen omdat ze dan weer niet begreep hoe de leeslamp aan moest, dan weer hoe ze de telefoon, die een verpleegster haar had geleend, moest uitzetten, om haar toilettasje, dat ze had laten vallen, van de grond te rapen enzovoort, enzovoort. En maar klagen dat ze vandaag geopereerd had moeten worden maar dat ging niet door omdat het druk was en andere patiënten voorrang hadden. “Belangrijker”, was een verpleegster zo stom om te zeggen. “Maar ik ben ook belangrijk”, jammerde ze.

’s Nachts ging het gewoon door. Bleef ze de verpleger bellen voor dit en voor dat, voor een ‘papegaai’ voor haar rug, en ‘jantjes’ voor haar knieën, een middel tegen de kramp in haar benen, een telefoonkaart, for fuck’s sake, want ze moest toch mensen kunnen bellen. En hop, daar ging de toilettas weer. “Kunt u die even op zijn plaats terugzetten?” Was ik, ondanks de pijn, weer even in slaap gedommeld, deed ze het licht gewoon aan (nu kon ze opeens het knopje wèl vinden). “Broeder! Hoe laat is het?” – “Tien voor twee, mevrouw”. Daar was ze niet tevreden mee. Moest ze haar horloge hebben om te zien of het wel echt tien voor twee was (“Tien voor fucking twee pas!?” dacht ik. “Dat betekent dat ik nog minstens vijf uur deze ellende moet doorstaan!”).

“Mag ik nog één ding vragen, broeder?” (Nee, dat mocht ze niet.)

Toch is het een soort oase, zo’n ziekenhuisafdeling. Je bent er afgesloten van de boze buitenwereld (aanvankelijk maakte ik me er erg druk om dat ik mijn rechtszaak niet kon bijwonen, maar eenmaal high interesseerde dat me geen klap meer), iedereen, echt iedereen was aardig tegen me, ik hoefde niet zelf na te denken, de enige beslissing die ik moest nemen was of ik vis of vlees, broccoli of spitskool wilde (maar jezuschristusmeziele wat is dat ziekenhuiseten slecht! Alsof ze de maaginhoud van dode baby’tjes hebben opgewarmd!) en last but not least, er lopen daar een paar goddelijke dokterinnen rond! Precies wat een stumperd met een moedercomplex als ik nodig heeft.

Peter Breedveld bedankt meneer of mevrouw E.A. van O. hartelijk voor zijn of haar gulle gift. Help Frontaal Naakt voor de vrijheid van meningsuiting te vechten: rekeningnummer 393444961


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home