Leve de Voluptueuze Vrouw!
Peter Breedveld

Illustratie: Phil Henderson
‘Om in de smaak te vallen bij mannen, moet een vrouw een perfect middel hebben, en ze moet mollig en wellustig zijn’, aldus de Tunesische schrijver Sheikh Nefzaoui in het vijftiende-eeuws Arabische sekshandboek الروض العاطر في نزهة الخاط, De Geurige Tuin.
Nefzaoui, die het werk schreef in opdracht van een kalief, Abû Fâris, had overduidelijk geen boodschap aan het mantra dat over smaak niet valt te twisten. Nefzaoui had hele specifieke criteria voor wat een mooie vrouw was, en hij zou hebben gegruwd van wat zich vandaag de dag zoal over de cat-walk pleegt te bewegen:
‘Haar buste en buik moeten groot zijn, haar borsten vol en stevig, haar buik in de juiste proportie, met een goed ontwikkelde, opvallende navel; het onderste deel van de buik moet groot zijn.‘
De fotomodellen in Nefzaoui’s tijd waren wat we nu geconditioneerd zijn te diskwalificeren als ‘dikke wijven’, toen het summum van vrouwelijke schoonheid, met harde dijen en billen, ‘de heupen groot en vol, een welgevormd middel, opvallend elegante handen en voeten, mollige armen en goed ontwikkelde schouders.’
Hoe meer vrouw, hoe beter, vond Nefzaoui en wie wel eens in het museum komt, weet dat het echt geen Arabische fetish was, die voorkeur voor mollige vrouwen. De vrouwen van de zeventiende-eeuwse schilders Peter Paul Rubens en Rembrandt van Rijn, bijvoorbeeld, zien er ook niet uit alsof ze veel tijd doorbrachten bij de diëtist en in het fitnesscentrum.
Een modegril is het evenmin. Rubens en Van Rijn werkten honderdvijftig jaar na Nefzaoui en twee millennia vóór de wellustige Tunesische fijnproever, in de vijfde of vierde eeuw voor Christus, schreef een Jood één van de zinderendste liefdesgedichten die ik ooit las, het Hooglied, opgenomen in het Oude Testament, de bijbel dus, en de zinnelijke lichamelijkheid ervan is zo totaal in tegenspraak met de afwijzing van de menselijke seksualiteit en lichamelijkheid in het Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de apostel Paulus, dat je je afvraagt hoe joden, moslims en christenen kunnen claimen dezelfde God te aanbidden.
Maar dit terzijde. Het Hooglied bewijst dat Nefzaoui’s vrouwelijke schoonheidsideaal niet een kwestie was van een cultureel bepaalde, lokale rage. Honderden kilometers van Tunesië vandaan en bijna tweeduizend jaar eerder zag de ideale vrouw er namelijk net zo uit als in De Geurige Tuin:
‘Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën. Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.‘
Het taalgebruik in het Hooglied is allemaal wat omfloerster dan dat van Nefzaoui, het valt me sowieso op dat Arabische middeleeuwse gedichten, althans de gedichten die ik tot nog toe tot me heb genomen, uitblinken in directheid en plastische beschrijvingen, waardoor ze verrassend modern aandoen. Te modern naar de smaak van hedendaagse cultuursnobs zelfs, afgaande op de tegenstand die Hafid Bouazza ondervond toen hij zich aan het vertalen van oude Arabische gedichten zette:
‘Mijne heren niets tast mijn geloof zo aan
Als een vette vagijn
Als ik er een zie, verlies ik mijn verstand
En nemen demonen bezit van mij
Ik wil mij erin onderdompelen
Van mijn voetpezen tot mijn voorhoofd
Ik verdwijn er een maand in ongezien door
enig oog’
Ibn al-Hadjdjadj was dat, een censor (!) in Baghdad die in de tiende eeuw leefde. Het gedicht is opgenomen in Bouazza’s bundel Schoon in elk oog is wat het bemint, uitgegeven door Prometheus.
Dit ook weer terzijde. Af en toe slaan we een zijweggetje in om daar aan een bloem te ruiken, er is zoveel moois om onze aandacht af te leiden, maar we mogen het einddoel van onze reis niet vergeten, niet te lang blijven dralen.
Het Hooglied, ik ben er verliefd op sinds ik het voor het eerst las. Nooit, nooit eerder en evenmin sindsdien heb ik iets gelezen dat zo geil was als dit:
‘Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.‘
Ik ben verliefd op het Hooglied, en verliefd op de vrouw die erin wordt beschreven, met ‘ogen als de vijvers te Hesbon’, ‘zwartachtig, omdat de zon haar heeft beschenen’, met ‘omdraaiingen van haar heupen als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars’, enzovoort, enzovoort.
Tot ik kennismaakte met dit prachtige gedicht was ik verliefd op de zwartharige Sneeuwwitje – die uit de Disneyfilm, nog steeds de mooiste animatiefilm ooit gemaakt, maar ook die van onze eigen Nederlandse Rie Cramer. En laat het lot nou hebben beslist dat de Liefde van mijn Leven, de vrouw die zó uit het Hooglied mijn wereld in leek te zijn gestapt (en die ik vervolgens maandenlang gebombardeerd heb met passages uit onder andere datzelfde Hooglied om haar hart te winnen – met succes!), dat die vrouw de Arabische naam van Sneeuwwitje draagt!
Dat heb ik me althans door haar laten vertellen.
‘Wie naar het aangezicht kijkt van een vrouw met zulke eigenschappen, is gefascineerd’, schrijft Nefzaoui. ‘Wie naar de achterkant kijkt, sterft van genot.’ Ik heb nu de behoefte om een beetje op te scheppen, want Nefzaoui zou duizend doden van genot sterven na één blik op mijn vrouw. ‘Magnifieke dijen’, een buik ‘zo rond als een koepel’, een navel ‘als een parel in een gouden beker’, borsten, ‘pront als hyacinten’. Als hij het maar in de woorden van vijftiende-eeuwse dichters doet, mag een heer zo over zijn muze pochen.
Bovendien is het allemaal heel functioneel, de lyrische beschrijving van mijn geliefde. Want hier hebben we dus een prachtvrouw, een voluptueuze godin, die drie keer per dag met een staafmixer een soort van astronautenvoedsel samenstelt uit pakjes en dozen die er uitzien als medicijnverpakkingen. Ze leeft nu al weken volgens een keihard regime met de horrornaam ‘eiwitdieet’, bijna kokhalzend het karige voedsel tot zich nemend dat haar is toegestaan, en dit al sinds het eindigen van de Ramadan, die jaarlijks terugkerende collectieve godsdienstwaanzin die al zoveel van haar heeft gevergd, in naam van een liefdevolle god die blijkbaar niets liever heeft dan dat zijn aanbidders lijden en afzien.
Waarom, vraag ik u? Waarom deze zelfkastijding, deze martelgang, deze zelfmutilatie, want dat is het, zelfverminking, zelfhaat, zelfs. Alles in dienst van een absurdistisch, pervers schoonheidsideaal dat vrouwen oplegt eruit te zien als beklede skeletten, als pezige jongetjes met platte buiken. Rondingen zijn in de ban gedaan, buikjes worden vies gevonden, alles moet hard en strak en gestroomlijnd zijn. Een voor de meeste vrouwen onhaalbaar ideaal, waardoor driekwart van hen altijd wel bezig is met het volgen van één of ander dieet, als ze zichzelf al niet in levensgevaar brengen door zichzelf uit te hongeren om er toch vooral maar zo uit te zien als Keira Knightly of Kate Moss.
Dít nu is een modegril, die niet ouder is dan vijftig, zestig jaar, wat niets is, vergeleken met het ideaal van de mollige vrouw, dat al duizenden jaren door dichters, straatzangers en kunstenaars bezongen wordt. Hier in het Westen wisten mannen een ronde vrouw tot voor de Tweede Wereldoorlog nog op waarde te schatten, afgaande op de duizenden antieke naaktfoto’s in mijn collectie erotica, waarop de vrouwen buiken hebben, verdomme! en billen als planeten, waar manen en satellieten omheen draaiden, en die hun eigen zwaartekracht hadden.
What the fuck happened? Heeft de Tweede Wereldoorlog er zo diep ingehakt dat iedereen er blijvend psychisch gestoord van is geworden, tot in de derde en vierde generatie aan toe? Want dit is extremistisch gedrag, die constante strijd om eruit te zien als het ergste schrikbeeld van de vorige eeuw, een overlevende van Dachau – no two ways about it.
Met de komst van de Arabische vrouw naar deze contreiën leek de bevrijding van de westerse vrouw nabij. Na tientallen jaren zuchten onder een onhaalbaar en vooral ook onvrouwelijk schoonheidsideaal, mochten ronde buiken en volle heupen eindelijk weer.
Lees hier het complete verhaal, dat begin vorig jaar is gepubliceerd in Elle Magazine.





RSS