Frontaal
Naakt
18 januari 2008

Sanctum aliquid et providum

Paul Lafargue

YoujiMuku03 (321k image)
Illustratie: Youji Muku

Het is niet meer aan twijfel onderhevig, dat de mensheid, alvorens zij de tegenwoordige familievorm bereikte, het tijdperk van de tegenovergestelde vorm van de familie heeft doorleefd. De moeder laat haar kinderen haar naam, haar vermogen, haar rang na; de vader is een ondergeschikte persoonlijkheid.

De familie is de voortzetting van vrouw op vrouw, haar band is de navelstreng, dit stoffelijke kenmerk van de moederlijkheid. Dit orgaan, wat men in de vorstelijke families van Europa in tegenwoordigheid van getuigen afsnijdt, om elke bestrijding van de wettigheid van de nieuwgeborenen te voorkomen, geniet bij vele volksstammen een zodanige verering dat bijvoorbeeld de bewoners van de Boven-Nijl, van de Fiji-eilanden en zelfs de Creolen van de Antillen het zorgvuldig bewaren en na de dood van het individu plechtig begraven. Het is de band die iemand met de stam van de familie van de moeder verbond.

De uit deze familievorm ontstane zeden wekken de zedelijke afkeer van de beschaafde wereld op. De kuisheid van de monogamie geldt daar nog niet als deugd. Integendeel, de vrouw wordt des te meer geëerd, hoe groter het aantal van haar echtgenoten is, die, óf elkander op bepaalde dagen aflossen, óf ieder gedurende een gehele maand bij hun echtgenote blijven, zoals dit bijvoorbeeld op de Canarische eilanden gebruikelijk was. De mannen van één en dezelfde vrouw leven, zoals onder andere Herera van de Indianen van Venezuela vertelt, in volkomen eendracht, zonder ijverzucht te kennen; deze hartstocht ontwikkelt zich eerst laat onder het mensengeslacht.

De kinderen erven het vermogen van de moeder en van de broeders van de moeder, doch nooit dat van de vader. De oom bemint zijn neven tederder dan zijn eigen kinderen. ‘Bij de Germanen’, zegt Tacitus, ‘is het kind van een zuster van zijn oom even dierbaar als van zijn vader. Enigen houden zelfs deze familiebetrekking voor heiliger en inniger; en wanneer zij gijzelaars nemen, kiezen zij bij voorkeur de neven, daar de familie aan deze veel meer gehecht is’.

De Germanen, die de Romeinse historicus hier beschrijft, hadden reeds de vorm van de vaderfamilie aangenomen, daar de kinderen van de vaders erfden; maar zij bewaarden nog de gevoelens en sommige gebruiken van de moederfamilie. De Franse uitdrukking ‘nos neveux‘ (onze neven) wordt gebezigd, om ‘onze nakomelingen’ aan te duiden. Onkiese spotternijen verklaren haar uit de twijfel aan de huwelijkstrouw van de Franse vrouwen, maar zij is in elk geval een oude herinnering aan de moeder familie.

De vrouw blijft daar, waar het moederrecht heerst, in haar huis of in dat van haar stam, zij gaat nooit in dat van haar man. De volgende opmerking van een protestants geestelijke, die jarenlang onder de Seneca-Irokezen leefde, is karakteristiek: ‘Wat hun (de Seneca’s) families betreft, ten tijde, toen zij nog lange blokhuizen bewoonden (die meerdere honderden van mensen bevatten konden), vormde waarschijnlijk de bevolking van elk zo’n gebouw een stam; maar de vrouwen haalden hun mannen uit andere stammen. In de regel beheersten de vrouwen het huis; de voorraden waren gemeenschappelijk; wee echter de ongelukkige echtgenoot of minnaar, die te lui of te ongeschikt was, zijn deel aan de gemeenschappelijke voorraden bij te dragen. Hoeveel kinderen of vermogen hij ook in ‘t huis hebben mocht, ieder ogenblik kon hij de boodschap krijgen, met pak en zak uit het huis te moeten gaan; en het was niet geraden, zich daartegen te verzetten. Het huis werd hem te heet gemaakt, en wanneer niet de een of andere tante of grootmoeder zich zijn lot aantrok, bleef hem niets anders over dan naar zijn stam terug te keren, of, wat vaak gebeurde, in een andere een ander huwelijk te sluiten. De vrouwen waren de grote macht in de stam en verder ook overal. Zij bedachten zich niet, wanneer de omstandigheden het nodig maakten, de hoofdman de ‘horens af te slaan’, zoals de technische uitdrukking heette, en hem tot gemene krijger te verlagen. De verkiezing van de hoofdmannen lag ook in haar hand.’

De berichten van reizigers beschrijven de vrouw in het tijdperk van de barbaarsheid als door arbeid gebukt. De arbeidsverdeling, merkt Marx aan, begint met de scheiding van de geslachten. De wilde is krijger en jager, hij leeft, omringd door vijanden, op wier overvallen hij elk ogenblik bedacht moet zijn. Hij moet steeds tot de strijd gereed staan, zijn arbeid bestaat in de verdediging van de stam en de verzorging van vrouwen en kinderen met levensmiddelen. Bij de beschaafde volkeren is de soldaat van iedere arbeid bevrijd. De vrouw van de wilde verricht elke arbeid: bebouwing van het land, het transport van kinderen en huisraad, dat haar behoort.

‘Volkeren, waar de vrouwen veel meer arbeiden moeten’, zegt Engels, ‘dan haar volgens onze begrippen toekomt, hebben voor de vrouwen veel meer werkelijke achting dan onze Europeanen. De dame van de beschaving, door schijnhuldigingen omringd en van alle werkelijke arbeid vervreemd, neemt een oneindig lagere maatschappelijke positie in, dan de hard arbeidende vrouw van de barbaarsheid, die onder haar volk voor een werkelijke dame (lady, frowa, vrouw, meesteres) gold, en ook naar haar karakter een zodanige was’.

De vrouw, die soevereine meesteres in haar huis was, oefende ook invloed uit op de algemene aangelegenheden. Zij nam deel aan de stamvergaderingen, zonder er nader op te willen ingaan zij hier slechts herinnerd aan de functie van scheidsrechter, welke zij uitoefende.

In Tasmanië spoorden de vrouwen in het begin van de slag de krijgers tot de aanval aan, maar zodra zij driemaal de handen in de hoogte staken, eindigde de strijd, en de overwonnenen, die er na aan toe waren juist gedood te worden, werden gespaard. De vrouwen waren bij de holbewoners (troglodieten) onkwetsbaar; zodra zij zich tussen de strijdenden wierpen, ‘hielden deze op hun pijlen af te schieten’.

De Germaanse vrouwen woonden de veldslagen bij, vuurden de strijders door haar geroep aan, dreven de vluchtelingen in het gedrang terug, en verbonden de gewonden. De Germanen versmaadden het niet haar om raad te vragen, en haar raadgevingen op te volgen. Zij vreesden meer de gevangenschap van hun vrouwen, dan hun eigen; deze barbaren geloofden dat er iets heiligs en een profetische gave in haar woonden, sanctum aliquid et providum.

Ik kan nog vele bladzijden vullen met de aanvoering van zulke feiten, die bewijzen dat alle volkeren van de aarde een familievorm doorgemaakt hebben die volkomen verschilt van die, welke wij thans kennen. Deze ons zonderling voorkomende feiten, welke al onze overgeërfde begrippen omverwerpen, waren vroeger slechts door enkele sceptische geesten aangehaald, die er zich van bedienden om in de heersende moraalbegrippen een bres te maken. De geschiedeniswijsgeren, die dikke banden vol pedante geleerdheid over de ‘vooruitgang’ geschreven, en de moraalwijsgeren die de wetten van de eeuwige moraal dogmatisch ontwikkeld hebben, verloochenden ze volkomen en deden, als zagen zij ze niet, ‘t geen natuurlijk nogal gemakkelijk is.

Thans echter worden zij door grondige en koene denkers gerangschikt, om daaruit de weg te leren kennen, die de mensheid in haar ontwikkeling heeft afgelegd.

Paul Lafargue was de schoonzoon van Karl Marx. Hij schreef orthodoxe marxistische werken over verschillende onderwerpen als vrouwenrechten, antropologie, reformisme en economie. Bovenstaande tekst is een fragment uit Le matriarcat – Etude sur les origines de la famille (1886). Vertaling afkomstig van het Paul Lafargue Internet Archief.

Algemeen