De noodzaak van de geesteswetenschappen
Remco Breuker

In zijn opiniestuk van 4 april jongstleden in de Volkskrant krant brak Joost Keizer een lans voor de geesteswetenschappen. Daar ben ik blij om. Helaas brak hij de verkeerde lans. Daar ben ik minder blij mee.
Keizer begint zijn stuk met de openingszin van het reisverhaal van Marco Polo, die in de dertiende eeuw een legendarisch geworden verslag schreef van zijn jarenlange verblijf in China. Keizer constateert dat dit reisverslag op fictie berust, maar dat dit niets van de relevantie ervan afdoet. Maar als het fictie was, dan zou dat bijna de volledige –en niet onaanzienlijke– historische waarde wegnemen. En trouwens: Marco Polo was wel in China. Dat weten we dankzij de geesteswetenschappen*.
Is dit nu belangrijk? Ja. Dit is belangrijk. Zowel symbolisch als historisch.
Symbolisch is de feitelijkheid van Polo’s reisverslag belangrijk omdat de waarde van Keizers betoog (dat ik sympathiek maar uiteindelijk niet overtuigend vind) verloren gaat als het wordt gebouwd op informatie waar je, om Keizer te citeren, ‘niets aan hebt’. Informatie die bovendien verzonnen is. De geesteswetenschappen zijn niet gestoeld op informatie waar je ‘niets aan hebt’. De waarde van de geesteswetenschappen vloeit juist voort uit een scala aan heel verschillende zaken. Die diversiteit maakt het ook verduveld moeilijk om een apologia pro humaniora te schrijven die over de hele breedte van het veld geldig is. Maar ik kan een bescheiden aanzet geven.
Historisch is het reisverslag van Polo ook belangrijk. De studie ervan laat ons één van de sterke punten van de geesteswetenschappen zien. Te weten: de strikte bronnenkritiek, grondige talenkennis en diepgaande historische kennis waarmee Marco Polo’s verslag als grotendeels feitelijk relaas gevalideerd is. Weten hoe je iets moet lezen en hoe je het in context (historisch, cultureel, linguïstisch) moet plaatsen: deze vaardigheden zijn ook vandaag de dag in brede zin belangrijk.
Maar de geesteswetenschappen gaan verder. Als we weten dat Marco Polo wel degelijk in China is geweest, zegt dat veel over Venetië in de 13de eeuw. Over China. Over het Mongoolse rijk. Over het relatieve gemak waarmee iemand met slechts één visum (een gouden pas van Khubilai Khan) over land vanuit Israël naar China reisde. Dit zijn zaken van historisch belang, maar ze zetten ook aan tot reflectie over hoe de wereld nu in elkaar zit. Probeer het nu maar eens, met één visum vanuit Israël over land naar Beijing te reizen. Het plaatst onze veelgeprezen moderniteit danig in perspectief.
De geesteswetenschappen gaan nog verder. Ik ben het met Keizer eens dat de geesteswetenschappen meer behelzen dan het ‘leren van idioom, grammatica, uitspraak en historische gegevens’. Het veld stelt zeer fundamentele vragen (zo is de postmoderne twijfel au fond een geesteswetenschappelijk fenomeen). Bijvoorbeeld of het überhaupt mogelijk is om een andere taal of cultuur volledig te leren kennen.
Fundamentele vragen stellen (en dat heeft het postmodernisme met verve gedaan, met antwoorden geven had het meer moeite) die de menselijke conditie raken, is inherent aan de geesteswetenschappen. Dat is ook de reden dat er zoveel studenten geschiedenis (of literatuurwetenschappen, enfin, vul zelf maar in) zijn, terwijl de beroepsperspectieven voor een afgestudeerd historicus (literatuurwetenschapper enzovoort) op het moment niet florissant genoemd kan worden. De existentiële noodzaak om te begrijpen wie wij zijn, hoe wij hier zijn gekomen en waar we naartoe gaan, laat zich niet uitwissen door argumenten die (abusievelijk, volgens mij) uitgaan van ingebeeld economisch nut of de afwezigheid daarvan.
Ik ben het ook met Keizer eens dat het zwaard aan twee zijden snijdt bij het economisch nut-argument, dat uitgaat van direct economisch gewin. Dat betekent niet alleen dat opleidingen die direct economisch nut bieden (zoals nu Chinees), in stand gehouden moeten worden. Maar dat houdt ook in dat op het moment, dat het direct economisch nut van een opleiding wegvalt, deze afgeschaft zou moeten worden.
Dat is geen correcte methode om te berekenen of een opleiding rendabel is. Er moet niet alleen gekeken worden wat een opleiding nu kost, maar ook wat haar alumni over de longue durée in brede zin hebben opgebracht. Ik zou dan ook graag eens een grondig economisch onderzoek zien naar de mate waarin afgestudeerde geesteswetenschappers gedurende, zeg, de afgelopen dertig jaar aan de maatschappij en de economie hebben bijgedragen. Het zou me niet verbazen als de geesteswetenschappen op die basis wel degelijk zeer rendabel blijken te zijn.
Ook als Keizer het verder heeft over de kritische afstand en het ‘gezonde cultuurrelativisme’ waar de geesteswetenschappen in beslissende mate aan bijdragen, ga ik nog met hem mee. Door het vreemde te kennen, wordt het eigene betrekkelijk gemaakt. De geesteswetenschappen zijn cruciaal als het gaat om het begrijpelijk maken van wat ons in eerste instantie als vreemd, gevaarlijk of zelfs onmenselijk voorkomt.
Het humaniseren van vreemde landen is vandaag de dag van het grootste belang. Dat kan door studie van romans, gedichten, films, epiek, van de geschiedenis, van voedselcultuur. Of door middel van strips, blogs en popmuziek. Voordat we een leger op de islamextremisten in Teheran afsturen of een preventieve aanval op de aartscommunisten in Pyongyang uitvoeren, moeten we zo goed mogelijk begrijpen wat de ander wil, waar hij/zij voor staat en wat de eventuele gevolgen van een conflict zouden zijn.
Om een voor mij vertrouwd voorbeeld aan te halen: Noord-Korea is een heel andere staat (en samenleving) dan wij vaak denken. Hoe ik dat weet? Ik lees Koreaans, ken de geschiedenis, ken de sociale context. Dat wil niet zeggen dat Noord-Korea geen afschuwelijk dictatuur is (dat is het wel), maar wél dat wij in onze omgang met Noord-Korea alleen maar baat kunnen hebben bij zoveel mogelijk kennis omtrent de Noord-Koreaanse motivatie om bijvoorbeeld weer een langeafstandsraket te lanceren (propaganda voor binnenlands gebruik en geen provocatie).
Onze reactie kan alleen effectief zijn als die gestoeld is op de juiste informatie. Dit is het soort informatie dat geesteswetenschappers leveren (Den Haag, luistert u?).
En hier scheiden de wegen van Keizer en die van mij zich. Want Keizer vindt dat een geesteswetenschapper niet te dicht op het maatschappelijke vuur moet staan. Hij heeft het over de noodzaak tot maatschappelijke distantie van de geesteswetenschappen.
Ik geloof daar niet in. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat de geesteswetenschappen alleen dan tot volle bloei komen als zij middenin de samenleving staan. Wat overigens iets volledig anders is dan staatssecretaris Zijlstra op zijn wenken bedienen. Ook een filoloog die zich met de dertiende eeuw in Thailand bezighoudt, staat midden in de maatschappij, al zal het directe maatschappelijk nut van diens onderzoek niet onmiddellijk duidelijk zijn. En dat misschien ook nooit worden, maar dat is inherent aan alle wetenschap: soms weet je pas na jaren of iets nut heeft gehad of niet.
Fundamenteel onderzoek mag zich niet laten leiden door dwang van buiten, maar staat tegelijkertijd niet los van de maatschappij. Wetenschappers moeten niet de waan van de dag volgen. Maar deze kritisch beschouwen en waar nodig doorprikken? Ja, dat wel. En het liefst niet na tien jaar bedenktijd.
Het belangrijkste punt dat ik zou willen aandragen ter verdediging van de geesteswetenschappen grosso modo is echter dit: geesteswetenschappers houden zich met zaken bezig die vaak niet of moeilijk te kwantificeren zijn, maar daardoor niet minder belangrijk in ons leven, de maatschappij, de wereld. Geen harde zaken, zoals het aantal langeafstandsraketten dat Noord-Korea bezit, maar een doorwrochte analyse hoe de Noord-Koreaanse elite de Koreaanse geschiedenis vernuftig recyclet en zo de macht behoudt, door de bevolking reëele (maar wellicht niet terechte) angst in te praten voor de VS.
Hoe kwantificeer je dit? Zulk onderzoek kan zelfs gezien worden als iets ‘waar je niets aan hebt’: het gaat immers om het kijken naar propagandaposters en het lezen van het verzameld werk van Kim Jong Il. Maar een analyse als deze zou van directe invloed moeten zijn op hoe de internationale gemeenschap omgaat met Noord-Korea: deze laat immers zien dat de angst voor de VS bij de bevolking daadwerkelijk aanwezig is (en dat die derhalve gewapende bevrijding door de VS niet zou verwelkomen) en dat door de staatspropaganda uitgebuite raketlanceringen noodzakelijk zijn voor de elite om de macht in handen te houden.
Met andere woorden: hier is het niet het geesteswetenschappelijk werk, maar de reactie vanuit de maatschappij waar je niets aan hebt. Of die er überhaupt niet is. Het is giswerk, maar ik vraag me af of de desastreuze situatie in Irak niet voorkomen had kunnen worden door beter te weten hoe de man op de straat naar de wereld (en naar de VS) keek.
Een ander voorbeeld (weer heel dicht bij huis): onderzoek naar ideologie in de Koreaanse middeleeuwen. Een beter voorbeeld van informatie waar je niets aan hebt kun je als Nederlander bijna niet bedenken.
Totdat je er achter komt dat Koreaanse middeleeuwers manieren vonden om elkaar naar het leven staande ideologieën (en de aanhangers ervan!) duurzaam en succesvol in dezelfde samenleving een plek te geven. Ook zonder hier direct lering uit te hoeven trekken, is het raadzaam om er in ieder geval kennis van te nemen om de mechanismes erachter beter te begrijpen.
‘Every culture is potentially every other culture‘, volgens Paul Feyerabend, en hij had gelijk. De menselijke conditie is in al die tijd helemaal niet zoveel veranderd. Geesteswetenschappelijk onderzoek gaat over de menselijke conditie in al diens glorie en schaamte. Zowel toen als nu, zowel binnen als over de eigen grenzen. En is als zodanig onontbeerlijk voor een samenleving.
De huidige crisis in de geesteswetenschappen is volgens mij aan twee factoren te wijten.
Ten eerste, de onbeholpenheid waarmee wij geesteswetenschappers opkomen voor het belang van ons veld en het gebrek aan lef waarmee wij durven te zeggen over ons onderzoek: ‘Dit is belangrijk!’ We neigen nog te vaak naar het geloof dat ons onderzoek eigenlijk iets is ‘waar je niets aan hebt’. Om er dan niet helemaal overtuigd aan toe te voegen: ‘Maar het is wel belangrijk, hoor.’
En ten tweede, de mengeling van onwil, onverschilligheid en onvermogen van de maatschappij om de resultaten van geesteswetenschappelijk onderzoek naar behoren te benutten. Wij moeten wat assertiever worden, de maatschappij wat ontvankelijker. Zeker in een wereld waarin het westen niet meer automatisch bovenaan de voedselketen staat, is het van levensbelang om de geesteswetenschappen overeind te houden.
Onwil om serieus te kijken naar een ander leidt tot angst en ontmenselijking. Dat leidt op zijn beurt tot conflict. De geesteswetenschappen bieden hier geen panacée tegen, maar ze maken het wel aanschouwelijk, begrijpelijk en handelbaar. En dat is héél, héél noodzakelijk.
Remco Breuker is historicus en hoogleraar Koreastudies aan de Universiteit Leiden. In 2010 kreeg hij de Heineken Young Scientist Award for History van de Koninklijke Academie der Wetenschappen, voor zijn onderzoek naar middeleeuwse Koreaanse identiteiten. Volg hem op Twitter.
*)Igor de Rachewiltz, ‘Marco Polo Went to China’, Zentralasiatische Studien 27 (1997), blz. 34-92.





RSS