Frisse adem
Loor

Op een van de schaarse mooie dagen van de afgelopen zomer, werd ik door een goede kennis uitgenodigd om een stukje te gaan varen op zijn zeiljacht.
Omdat ik weet dat deze kennis een groot zwak heeft voor alle bruinogige brunettes van zowel het oostelijk- als het westelijk halfrond, besloot ik onder voorwaarden mee te gaan. Zo maakte ik hem meteen duidelijk dat ik, eenmaal aan boord en aan de goden overgeleverd, geen zin had om aan mogelijke versierpogingen onderworpen te worden. Bovendien was ik voor de zoveelste keer aan het herstellen van een gebroken hart, en stond mijn hoofd niet naar amoureus gedoe.
Nadat hij mij verzekerd had dat we op zuiver vriendschappelijke basis uit zouden varen, en dat het tochtje op zee mijn verbrijzelde hart goed zou doen, kiepte ik een anti-zeeziek-pil naar binnen en stapte aan boord.
“Ga jij maar lekker zonnebaden op het voordek”, opperde de kennis, die reuze breed en stoer het roer hanteerde, en het heel druk had met, nou ja, met dingen die ik niet snap als het om zeilboten gaat.
Nou lag ik daar helemaal niet verkeerd, daar op dat voordek, en de verwachte misselijkheid viel mee. De wind, de meeuwen en de zon verjoegen de muizenissen in mijn hoofd, en ik gaf me over aan de schommelingen van het water.
Na even weggedommeld te zijn geweest, en ik in de verte hoorde dat de motor van de boot werd uitgeschakeld, stond er plots een glas witte wijn naast me. En daar zat ook mijn kennis, die mij heel blij aankeek.
“Mag ik je hand strelen?”, vroeg het blij kijkende hoofd. “Waarom?”, bitste ik terug. “Hadden wij niet iets afgesproken?” Maar daar lag zijn hand al op de mijne, die zich tot een verkrampte klauw had gevormd en er daardoor allesbehalve aaibaar uitzag. Maar de blijerd hield vol, en dacht dat Loor middels de wijn en zijn handstrelingen wel zou ontdooien.
“Doe maar niet. Echt niet. Dit was niet de afspraak, en ik zit hier alleen met jou midden op het water, dus hou het netjes. Goed? Goed!”
En daar verdween de nog immer stralende kennis in de kajuit, zogenaamd om wat lekkers te pakken. Ik dommelde weer in slaap, totdat ik een arm om mij heen voelde. En nog een. En daar was weer dat blije gezicht, maar nu gevaarlijk dichtbij. Twee seconden later zat zijn tong in mijn mond. Ik wist even niet waar ik meer van gruwelde: zijn poging tot aanranding, of het feit dat hij, beneden in de kajuit, even snel en met voorbedachten rade een hele fles Odol in zijn mond had leeggespoten. Odol! Er restte mij niets anders dan hem keihard uit te lachen, mijn mond met de rest van de witte wijn om te spoelen en op luide toon de lekkere hapjes op te eisen. Nou ja, en nog een laatste dreigement dat ik van boord zou springen als hij nog één vinger naar me uitstak.
Ja, en toen waren we weer heel snel terug in de haven, waar een nogal omslachtig afscheid plaatsvond. Iets met veel verontschuldigingen, stille hoop en ‘je ging toch niet zomaar mee’.
Helaas, heren. Vrouwen gaan soms wel zomaar mee. En wat ‘bakzeil halen’ betekent, kan mijn ademfrisse kennis u haarfijn uitleggen.
Loor (1967) is een in alle opzichten lekker wijf. Lees meer op haar eigen webstek, Loor schrijft!





RSS