Samir A. moet vrij!
Alf Berendse

Illustratie: Alphonse Etienne Dinet
Samir Azzouz en zijn rebellenclub zijn op 2 oktober 2008 ten onrechte veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Dit schrijf ik niet omdat ik sympathie heb voor jongemannen die zich als moslim onheus bejegend voelen, of die menen dat in Nederland een Islamitische heilstaat moet worden gevestigd; dat is gekkigheid, daar heb ik geen begrip voor. Maar nog minder begrip heb ik voor een overheid die van schadeloze handelingen en intenties misdaden maakt.
De gebeurtenissen op een rij:
– In oktober 2003 worden Azzouz en enkele van zijn kennissen gearresteerd, op verdenking van het voorbereiden van een terreuraanslag. In een woning worden zoutzuur en kunstmest gevonden, stoffen die in bommen kunnen worden verwerkt; twee van de kennissen zouden in Pakistan in een militair trainingskamp zijn geweest; en de jongelui hadden ooit contact met een buitenlander die in het buitenland wordt verdacht van betrokkenheid bij gewelddaden in het buitenland.
Azzouz en zijn kennissen worden niet vervolgd, het Openbaar Ministerie meent al bij voorbaat niet te kunnen bewijzen dat zij een aanslag voorbereidden.
– In juni 2004 wordt Azzouz opnieuw gearresteerd. Deze keer is de verdenking dat hij daders van een roofoverval op een supermarkt heeft geholpen. In zijn woning worden plattegronden gevonden van verschillende overheidsgebouwen, met aantekeningen over de bewaking van die gebouwen, en foto’s van de omgevingen. Ook worden patroonhouders van vuurwapens gevonden, en chemische stoffen en bedrading waarmee een bom kan worden gemaakt.
De Rechtbank spreekt Azzouz vrij van het beramen van terreuraanslagen en acht hem niet betrokken bij de roofoverval. Wel wordt hij veroordeeld wegens verboden wapenbezit.
– Het Gerechtshof is het in november 2005, in hoger beroep, eens met de Rechtbank. Azzouz zou wel terroristische intenties’ hebben, maar deze slechts onbeholpen en primitief’ voorbereiden.
– Het Openbaar Ministerie gaat in cassatie omdat het Gerechtshof volgens haar niet heeft begrepen wat voorbereidingshandelingen’ zijn. De Hoge Raad is het hiermee eens en de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof. In september 2007 wordt Azzouz alsnog tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, wegens het voorbereiden van moord en het voorbereiden van brandstichting of een explosie.
– Ondertussen is Azzouz voor de derde keer gearresteerd, in oktober 2005, op verdenking van het organiseren van terreuraanslagen; hij zou zich bezig houden met het verkrijgen van materialen hiertoe, waaronder vuurwapens.
– In december 2006 worden Azzouz en zijn rebellenclub veroordeeld wegens het voorbereiden van aanslagen, maar de Rechtbank is niet van mening dat zij een terroristische organisatie vormen.
– Het Openbaar Ministerie wil per se van een rechter horen dat Azzouz wel een terrorist is en gaat in hoger beroep. In oktober 2008 spreekt het Gerechtshof haar vonnis uit: Azzouz en zijn kennissen vormen een terroristische organisatie. Het hof baseert zich op aanwijzingen’: er is munitie gevonden; er zijn schietoefeningen gehouden; er was belangstelling voor bomgordels; de club beschikte over adressen van politici en zocht er meer; er zou een aanslag op het gebouw van de AIVD worden voorbereid. En voor wie dit niet genoeg vind, woog het Gerechtshof mee dat Azzouz en zijn kennissen een radicale geloofsovertuiging aanhangen. Azzouz krijgt negen jaar opgelegd, bovenop de vier jaar uit 2007.
In bovenstaande geschiedenis is Azzouz niet gearresteerd of veroordeeld wegens uitgevoerde misdaden. (Het slaan van opdringerige persmensen laat ik buiten beschouwing; dat is niet netjes, dat had anders kunnen worden opgelost.) Nee, Azzouz en zijn kennissen moeten de gevangenis in wegens intenties’ en voorbereidingshandelingen’.
Ik ben voor het verijdelen van moord, bomaanslagen en brandstichting. Maar ik huiver voor een overheid die mensen veroordeeld wegens het hebben van ideeën en het bespreken van plannen, hoe verwerpelijk de ideeën en plannen ook zijn. En ik huiver voor een overheid die het in bezit hebben van plattegronden, foto’s, kunstmest en elektriciteitssnoeren strafbaar stelt, èn het navragen van adressen, het contact hebben met iemand die van misdaden wordt verdacht, een militaire training volgen in het buitenland, en/of belangstelling tonen voor wapens. Allemaal zaken waaraan ook ik mij schuldig’ zou kunnen maken.
Het verboden wapenbezit noem ik apart. De wetgeving betreffende particulier wapenbezit staat los van terrorismebestrijding en wordt in Nederland breed gedragen. Niet door mij, ik ben van mening dat niemand geweld mag initiëren, maar dat iedereen zich met gelijke wapens mag verdedigen tegen anderen die dat wel doen. En in Nederland is het bezitten van vuurwapens niet ten strengste verboden, het is gereguleerd’. Wie lid is van een schietvereniging mag een vuurwapen bezitten, in huis hebben en het bij zich dragen, onderweg naar en van de schietclub. Het verboden wapenbezit is dus slechts het je ontrekken aan het verplichte lidmaatschap van een schietvereniging.
Bij de veroordeling van Azzouz en zijn kennissen hoort de vraag wat een misdaad is. Belangrijk is het verschil tussen misdaad’, een moreel begrip, en strafbare handeling’, een juridisch begrip. Een misdaad is een handeling waarbij de dader een ander, tegen diens wil, fysieke en/of materiële en/of financiële schade berokkent; wetende dat zijn handeling dergelijke schade tot gevolg heeft, of onder de verplichting dit te weten; in situaties waarin de ander (het slachtoffer) de dader op geen enkele wijze eerst schade heeft berokkend, of waarin een schadende reactie van de dader op hem schadend handelen buitenproportioneel is.
Geen flauw idee dat ik iemand schade berokkende’ mag geen verdediging zijn, ieder mens is moreel verplicht te weten wanneer zijn daden schade tot gevolg hebben. De schade moet causaal gevolg zijn, direct en uitsluitend terug te voeren op de handeling. Zelfverdediging en vergelding zijn buitengesloten, maar het is een misdaad om met een messteek te reageren op een klap in het gezicht.
De definitie is niet in een wet terug te vinden. Nederlandse wetgevers maken, en rechters hanteren, slechts een lijst van strafbare handelingen’, gebaseerd op politiek opportunisme, belangen van willekeurige maatschappelijke groepen, of ongefundeerde ideeën over sociaal wenselijk gedrag’.
Het Nederlands strafrecht is dan ook tot de nok gevuld met handelingen die geen schade veroorzaken, zogenoemde slachtofferloze mis’daden. Tot enige jaren geleden was prostitutie er een van. Het produceren, vervoeren, verhandelen en in bezit hebben van heroïne en cocaïne (en bepaalde andere stoffen) zijn het nog. Ook het in bezit hebben van een wapen, zonder lid te zijn van een schietvereniging, is op zichzelf niet schadelijk, maar desondanks verboden. Hulp bij zelfdoding is niet tegen de zin van degene die zal sterven, maar toch strafbaar. (Tenzij uitgevoerd door een arts, dan heet het euthanasie. Dat is willekeur: als hulp bij zelfdoding door artsen niet is verboden, waarom mag iemand die geen medicijnen heeft gestudeerd dan niet dezelfde hulp bieden?)
Ook in andere rechtsgebieden zijn strafbare handelingen opgenomen die niet causaal tot schade leiden: als winkelier je niet aan de winkelsluitingswet houden, als kroegbaas het rookverbod negeren, en vele andere.
De regering heeft, gesteund door volksvertegenwoordigers, officieren van justitie, politie en rechters, en onder het mom van bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad, het strafrecht zo verruimd dat een onbeperkte variëteit aan slachtofferloze daden strafbaar is, waaronder het informeren naar adressen en het in bezit hebben van een elektriciteitssnoer.
Voordat ook ik kan worden veroordeeld wegens het in bezit hebben van een elektriciteitssnoer moet wel aan een bijzondere voorwaarde worden voldaan: ik moet de intentie hebben er schade mee te berokkenen, bijvoorbeeld er iemand mee willen wurgen, of het willen gebruiken als onderdeel van een bom. Ook bij de veroordeling van Samir Azzouz en zijn kennissen was niet het in bezit hebben van materialen en informatie doorslaggevend, maar hun intentie.
Het wettig en overtuigend bewijzen van iemands intentie is echter niet mogelijk, ook met een CT-scan zijn intenties niet vast te stellen. En het hebben van een intentie, welke dan ook, is geen misdaad. Een intentie is de uitdrukking van een wil, in de vorm van een gedachte; het is geen daad, laat staan een misdaad.
De intentie kan worden uitgesproken of opgeschreven, maar praten en schrijven zijn geen handelingen die tot fysieke, materiële en/of financiële schade leiden, daarvoor is veel intensieve actie nodig. De intentie kan worden uitgewerkt tot een plan, en de benodigde spullen en kennis voor uitvoering van het plan kunnen worden vergaard, maar het voorbereiden van de daden moord en brandstichting is niet het uitvoeren van die daden. De voorbereiding veroorzaakt geen schade en is dus geen misdaad: voorbereidingshandelingen zijn slachtofferloze handelingen. En de intentie tot een misdaad leidt niet noodzakelijkerwijs tot die misdaad, de potentiële misdadiger kan bijtijds van zijn voorgenomen misdaad afzien.
Het verijdelen van een terreuraanslag is noodzakelijke preventie, maar iemand preventief gevangen zetten gaat te ver. De enige wet die dit toestaat, is de wet Bijzondere Opname (in) Psychiatrische Ziekenhuizen, als is vastgesteld’ dat een psychiatrische kwaal van iemand een gevaar voor zijn omgeving maakt. Er valt wat voor te zeggen dat Azzouz en zijn kennissen door een geestelijke stoornis zijn bevangen, maar dit is niet onderzocht.
Met het verstoren van voorbereidingshandelingen en het verijdelen van een misdaad is niets mis. Volgens de Nederlandse wet mogen daartoe vuurwapens in beslag worden genomen, vooruit dan maar. Maar kunstmest, plattegronden en adressen mag iedereen in huis hebben, dus daar houdt het op.
Wat dan te doen? Ga toch weg, knul, zeg je tegen Samir Azzouz, We weten welke gekkigheid jij in je hoofd hebt. Als je bij het AIVD-gebouw in de buurt komt, laten we je struikelen. Hem hinderlijk volgen is genoeg.
Een goed gesprek kan ook tot andere intenties leiden, over waarom hij nu eigenlijk zo boos is (de neiging tot geweld is persoonlijk, het met geweld willen bereiken van een ideaal is een smoes), en of hij iets anders dan terreurdaden kan bedenken om zijn verveling te bestrijden. Dat klinkt als therapie; soms is dat nodig, als opvoeding heeft gefaald. Ook zijn boosheid een rechtvaardige richting geven, is een optie: sponsor zijn reis naar Tsjetsjenië, hij wilde daar al eens tegen de Russische bezetters vechten. (Dat Tsjetsjeense strijders veelal moslims zijn, zij hen vooralsnog vergeven, hun recht op een onafhankelijke staat weegt zwaarder. Tegen een staatskerk mogen te zijner tijd andere Tsjetsjenen en hun sympathisanten zich verzetten.)
Tot slot. De overheid begeeft zich met haar verscherpte wetgeving op een glijdende schaal. In de Utrechtse wijk Kanaleneiland-Noord is het voor jongeren verboden om met vijf of meer in een groep op straat te staan, ook zonder misdaden te plegen of zelfs maar overlast te veroorzaken. Het zou tenslotte zo maar kunnen dat ze dat gàan doen. In een groepje bij elkaar staan is aldus een strafbare voorbereidingshandeling’ geworden.
De glijdende schaal is een drogreden, een vals argument in een discussie, maar ik vat haar op als waarschuwing. Voor de zekerheid filosofeer ik niet meer met kennissen over de vraag wanneer doden en brandstichting moreel zijn toegestaan en eet ik met plastic bestek. Mijn adres is bij velen bekend, de gedachtenpolitie hoeft er maar even navraag naar te doen.
Alf Berendse is van mening dat achter elke maatschappelijke misstand een onjuiste definitie steekt.





RSS