Frontaal
Naakt
16 januari 2014

God is het Woord

René Süss

Boogaard7
Illustratie: Theo van den Boogaard, zaterdag 18 januari op het Winternachtenfestival

Joden – en christenen – die zich oriënteren aan de hand van de Schrift moeten wel weten wat ze doen. Luther schreef, zoals we hoorden, nogal provocerend: ‘De Heilige Schrift, dat is G’d zelf’. In de praxis pietatis, in de praktisering van het geloof dus, gaat het in principe om niets anders dan om textuele spiritualiteit! Die waaiert niet vrij zwevend, al naar gelang onze individuele behoeften, naar alle kanten uit!

Ook het Joodse equivalent van spiritualiteit, ‘deveekoet‘, is ‘een spirituele, contemplatieve daad waardoor een mens zich zelf verbindt met de letters van de Tora’ (G. Scholem). Daar moet onmiddellijk aan worden toegevoegd dat de Bijbel niet voor niets begint met de tweede letter van het alfabet, de beet (Beresjiet…) de eerste, de aleph, is aan G’d voorbehouden, die wij niet in de tekst kunnen opsluiten. Het is een anarchistisch, niet conceptueel begin, dat het geheel van de Schriften en de Joodse traditie als zodanig stempelt, zo leert ons Levinas.

Grondplan van de schepping

Het zijn die pre-existente letters die aan de schepping voorafgaan. (Dat lijkt overigens ook in de proloog van het Johannesevangelie het geval: Joh. 1:3.) Volgens onze wijzen werden hemel en aarde geschapen met de nog ongeordende letters die zich pas daarna samen zouden voegen tot de Tora (Talm. Ber. 55a). Het algemene gaat aan het bijzondere vooraf!

Niettemin wordt de Tora beschouwd als grondplan van de schepping (Ber. Rabba 1:1). Die is echter nog in-statu-nascendi en behoeft dagelijks ‘tikkoen‘: herstel en voltooiing. Een taak die men hoopvol op zich kan nemen, immers de schepping heeft als daad G’ds deel aan de intentie van de verlossing (Walter Benjamin).

Secularisme is ingebouwd

Een creatio perfecta bestaat echter niet, die is niet ‘heilzaam’:

‘…there is a crack in everything,
that’s how the light gets in’
(Leonard Cohen).

Bijna 500 jaar eerder leerde rabbijn Isaac Louria, de stichter van de kabbalistische school in Tsfad, reeds dat – als uitvloeisel van de gedachte van Tsimtsoem, het zich terugtrekken van G’d uit Zijn schepping om plaats te maken voor de vrijheid van Zijn schepsel – de wereld rust op een breuk in G’d, zo men wil. De Verlichting op zijn Joods, om zo te zeggen: leven ‘sicut Deus non daretur‘. Het secularisme, veel later gepromoot door de Joodse Haskala-beweging, is in de schepping ingebouwd.

Mythischen Weltalters

De volgende aantekening van Walter Benjamin in zijn ‘Lehre vom Ähnlichen‘ – geciteerd naar Gershom Scholem – rijmen hiermee:

Die Entstehung der Sternbilder als Konfigurationen auf der Himmelsfläche ist der Beginn des Lesens, de Schrift, die mit der Ausbildung des mythischen Weltalters zusammenfält. Die Sternbilder waren für die mythische Welt, was später die Offenbarung der Heiligen Schrift war.

In verband hiermee discussieerden Scholem en Benjamin eens over de these:

ob die besondere Binding der Juden an die Sprachwelt von ihrer jahrtausende langen Beschäftigung mit heiligen Texten, mit der Offenbarung als sprachlicher Grundtatsache und deren Refexion in allen Sprachsphären abzuleiten sei‘ (W.B. – die Geschichte einer Freundschaft, p. 136).

Waanzin woekert

In die zin voerde Benjamin een pleidooi voor wat hij noemde het ‘Pathos der Nähe‘. De historicus zou zich niet langer in de geschiedenis moeten verplaatsen, maar wat geweest is in zijn leven moeten laten binnentreden (zie zijn interpretatie van Paul Klees aquarel ‘Angelus Novus‘ als ‘Engel der Geschichte‘, p…., ‘apokatastasis toon pantoon?).

Het kapitalisme als ‘phantasmagorie, ‘waarin de waanzin woekert’, ‘die Zeit der Hölle‘, duidde hij als een reaktivering van de mythische krachten. Vandaar zijn kritiek op dat systeem.

G’d, dat is een woordje-tussen-de-woorden in een zinsverband. Het geeft als katalysator van een verhaal zin en richting aan dit verband. Het narratieve is de habitat van de meeste getuigen die in de Schrift aan het woord komen en wel in het – unieke? – Hebreeuws, de ‘Ursprache‘ (Benjamin).

G’d is ‘belichaamd’ in teksten

Scholem vertelt in zijn Die Geschichte einer Freundschaft hoe Benjamin hem eens verzocht diens Hebreeuwse vertaling van één van zijn teksten hardop voor te lezen om te horen hoe het klonk. Vraag: Is er mogelijk een verbinding van de ‘Ursprache‘ met de ‘Urschrei‘ als taal niet alleen communicatiemiddel is?

Kort gezegd: de bijbelse waarheid is talig van aard. De openbaring is de openbaring van een tekst; het Woord is niet vlees geworden, maar tekst. Incarnatie betekent voor mij dat G’d is ‘belichaamd’ in teksten, in woorden van mensen, die met elkaar communiceren.

Er is geen God…

Nogmaals: ‘De Heilige Schrift, dat is God zelf’. Er is geen ‘God beyond God‘, geen zogenoemd Opperwezen aan wie men de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in onze bedeling in de schoenen zou kunnen schuiven (het theodicee-probleem). We zijn altijd zelf aan zet.

René Süss schreef onder andere Luthers Theologisch Testament, zijn proefschrift over het virulente antisemitisme van Maarten Luther. Hij maakte er een paar vijanden mee. Ook schreef hij De Geest Bemint de Buitenkant, over de lichamelijkheid in het jodendom. Zijn meest recente boek gaat weer over Luther en heet Luther, een Sympathieke Potentaat.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home