Frontaal
Naakt
4 juli 2009

Islamdebat

Nausicaa Marbe

Islambashing, moslimhaat, angst voor islam, islamologie, hetze jegens moslims. Het zijn modieuze termen die vaak voor iets anders gebruikt worden dan waar ze voor staan. Ze zijn etiketten van diskwalificatie geworden voor iedereen die zich begeeft op het gladde pad van de islamkritiek. Praat over de islam en zijn belijders in andere woorden dan de bewierokende van het politiekcorrecte multiculturalisme en je treft het als je niet direct voor fascist of racist wordt uitgemaakt, maar voor islam-basher.

Trendy term lijkt het, nog Engels ook, dus met een lichte verwijzing naar hooliganisme – agressie van een breindode die schopt om maar wat kapot te krijgen. Uit angst of, nog erger, uit kwaadaardigheid. Zo wordt het misverstand in leven gehouden dat alle islamkritiek niets met feiten te maken heeft, maar met de beperkte capaciteiten, de lafheid of de kwaadaardigheid van de criticus.

Dat gebeurt vandaag, de tijd die vaak denigrerend gedoodverfd wordt als die waarin ‘alles maar gezegd moet worden’. Is dat ook zo? Het islamdebat is het afgelopen decennium hard, fel, pijnlijk en soms regelrecht discriminatoir geweest. Maar lang niet ‘alles’ mocht gezegd. Xenofobie en racisme zijn – gelukkig maar – niet bon ton in het publieke debat. Ze tonen dagelijks hun facie op Internet, in de abjecte scheldpartijen van reageerders op opinies en blogs. Maar ze zijn afwezig in kranten en tijdschriften. Evenmin hoef je bang te zijn de televisie aan te zetten omdat bruine taal binnendreunt.

Toch wordt het islamdiscours met al zijn kleuren en facetten door de politiekcorrecte diehards samengevat als ‘een klimaat van islamofobie’. Zij worden daarin gesteund door instituties als de Anne Frank Stichting of de Human Rights Watch. Maar ook de rechters die bepaalden dat Geert Wilders alsnog vervolgd moet worden, reppen over de islamofobie als een verwerpelijke ‘ideologie.’

Wat deze islamofobie-waarschuwers met elkaar delen is een totale afsluiting voor de feitelijke context waarin alle discussie plaatsvindt. Dat het vandaag gebruikelijk is om islamofobie automatisch als racisme te vertalen, wil niet zeggen dat dit een correcte interpretatie is van het conflict tussen islamcritici en islamisten. Te vaak gaat men voorbij aan de opkomst, de asociale en soms onverholen racistische opstelling van radicalen en jihadisten in Nederland.

Afkeer is in zo’n context iets anders dan vreemdelingenhaat en de angst is legitiem. Niet bang zijn voor segregatie, voor slecht onderwijs op disfunctionerende islamitische scholen, voor kansarme importbruiden, de groei van werkeloosheid in de soms veelkoppige moslimgezinnen, de greep van de radicalen of het sluimerende fundamentalisme is een laissez faire–houding die leidt tot vervreemding en maatschappelijke verbrokkeling. Angst is in die zin een nuttige alarmbel die een urgente wens tot verandering inluidt. Ik pleit er dan ook voor om ons in te zetten voor verbetering in plaats van de problemen de rug toe te keren uit misplaatste (en gratuite) niks-aan-de-handsolidariteit.

Kritiek op de islam, hoe hard of onwelwillend ook, behelst zelden een daad van agressie, maar is ingebed in een groter kritisch discours dat het Westen over zijn haat-liefdeverhouding met het oriëntaalse voert.

Maar waar heeft men het precies over als men spreekt over de islam? Verwarring van termen leidt al gauw tot een kluwen van gedachten waarin de rode draad zoek raakt. De islam heeft geen kerkelijke instituties en geen paus die als boeman kan fungeren. Men praat dus niet over een klerikaal instituut met een bovenbaas als kwade genius of zondebok. Ook de leer van de koran, iets dat zonder twijfel als ‘islam’ kan gelden, valt niet samen met de Westerse beleving van de ‘islam’.

Ten eerste weet de gemiddelde Westerling niks van de leer van Allah. Wij zijn opgegroeid met de bijbel, eventueel de thora en, vooruit dan maar, de Donald Duck. Of met de mededeling dat God dood is (gegaan in Auschwitz) of nooit heeft bestaan. Het maakt ons geen experts om in brede debatten de islam op theologische gronden te bekritiseren.

Ten tweede beleven Westerlingen de ‘islam’ vooral als de aanwezigheid van moslimmigranten in hun midden. Dat en alles eromheen is veel meer dan dat etiket kan dekken. Waar vind je Bin Laden in deze amorfe perceptie van iets dat ooit uit een groep gastarbeiders bestond en aangroeide tot een aanzienlijke populatie met vele ontwikkelingen. Waar is de vrouwenbesnijdenis (door sommige islamieten gepraktiseerd, maar niet uitsluitend door hen), de uithuwelijking, de homohaat, de haatpreek, de gewelddadige hangjeugd, de sharia? Ze zijn er wel, maar niet gauw te associëren met een zichtbare groep.

Bovendien: bij elke beschuldiging kan iemand opstaan die roept dat zijn of haar islam heus zoveel anders is dan de karikatuur die westerlingen ervan maken. Was dat tien jaar geleden nog een assertieve manier om critici monddood te maken, tegenwoordig kan het een hartenkreet zijn van iemand die moderniteit, religiositeit en het Nederlandse burgerschap zo goed mogelijk combineert, soms in een kameleontische spagaat om alle fronten tevreden te houden.

Het is deze groep moderne, veelal liberale moslims die zelf boordevol kritiek zitten jegens hun achterban, maar die zulke onmin eleganter weet te verkopen dan de niet-moslim met zijn gezonde verstand op de scherpe tong. De liberale moslim zet ongetwijfeld de meest interessante ontwikkeling in gang binnen de Europese islam. Hij is niet alleen de dialoogpartner bij ongenoegens, maar ook pionier in het organisch mengen van een vriendelijker islam met de locale Europese cultuur. Met hem begint de discrete reformatie van moslims die afstand nemen van dogma’s en islamisme.

Valt het object van de islamkritiek moeilijk te definiëren? Niet per se, maar de definitie is bondig noch secuur. Wat de Westerse islamsceptici, om eens een vriendelijker woord te gebruiken, graag zien verdwijnen, is de ideologie van het islamisme, de gewelddadige jihad, en de letterlijke interpretatie van de koran voor het dagelijkse leven, met alle soms tragische, soms absurde gevolgen van dien. Dit alles niet te verwarren met de pure vreemdelingenhaat die uiteraard ook bestaat en vaak genoeg ook de moslim zal treffen, zeker als hij gekozen heeft zich als vreemdeling te blijven gedragen. Hiermee legitimeer ik geenszins de xenofobie, maar spreek ik mijn teleurstelling en tegelijkertijd bezorgdheid uit over het gemak waarmee sommige migranten – en heus niet alleen moslims – voor een leven kiezen dat totaal voorbij gaat aan wat er in Nederland speelt en evolueert.

Er is ook een afkeer van deze gekoesterde vervreemding die niet racistisch of chauvinistisch is, maar eerder voorkomt uit de Hollandse neiging tot nivellering. Hoe meer men op elkaar lijkt, hoe groter de gezelligheid. Hier speelt het lokale minderwaardigheidscomplex ook een rol: ‘wij’ Nederlanders zullen over onszelf nooit durven roepen dat we geweldig zijn, maar van een ander willen we dat graag horen. De onaangepaste moslim die hier rondsjokt in zijn jellaba onderweg naar een moskee waar hij pas opleeft temidden van zijn umma, vindt ons wellicht helemaal niks – omdat hij niet op ons wil lijken. Dergelijk oud zeer grenst welhaast aan ongelukkige liefde. Vaak heeft het ook te maken met vreemdelingenhaat van de andere kant: de Nederland en Nederlanders verachtende vreemdelingen. In dat laatste geval is het curieus dat racismemonitoren nooit reppen over de discriminatoire opvattingen van migranten over hun gastheren van weleer.

Het is niet de haat, maar de vaak wanhopige vragen die de huidige Westerse islamkritiek stimuleren. Die komen uit zeer uiteenlopende hoeken. Zonder de pretentie van een volledig overzicht wil ik hier een paar prominente stemmen uitlichten. Zij buigen zich over verschillende aspecten van ‘de islam’, kritisch en met de nodige kennis op zak. Uiteraard worden ze uitgemaakt voor islam-bashers en nog erger, sommigen worden ook geregeld bewaakt – over legitieme redenen gesproken voor islamkritiek.

Voor de Canadees, voormalige discjockey en nu enfant terrible van de komische islamkritiek Mark Steyn – die het multiculturele Canada met zijn locaal toegestane sharia-rechtspraak ontvluchtte – is de ‘islamisering’ het grootste probleem. Die ontstaat volgens hem niet door een godsdienstoorlog, maar gaandeweg: door de demografische veranderingen die gunstig zijn voor moslims wereldwijd. Zoals de cijfers er nu voor staan, voorziet Steyn een drastische slinking van veel Europese bevolkingen en culturen. In zijn rampenscenario is allochtoon tuig uit Vogelaarwijken hier de baas. Steyn overdrijft, maar is bijzonder scherp in het ontmaskeren van de laksheid en domheid waarmee deze veranderingen en hun ingrijpende gevolgen door overheden en onverbeterlijke diversiteitsgelovigen worden ontkend. De geboorte van Eurabia is een creatie van de Europeanen zelf.

Verwant aan Steyn is de Britse komiek Pat Condell, die op de site die zijn naam draagt vaak Europese regeringen langs de meetlat van de dhimmitude legt. Ze slagen met brille. Zijn bijtend ironische teksten bevragen vertwijfeld het fenomeen van de automatische aanpassing van Europese regeringen aan de wensen en dreigingen van islamitische pressiegroepen. Zie de harde landing van Wilders in Engeland. Hij valt de angst aan, die ertoe leidt dat intolerante orthodoxen en fundamentalisten alle égards krijgen in plaats van een vermaning om zich te gedragen zoals dat binnen een democratie hoort.

Zulke kritiek is niet direct gericht op islam, maar op de beloners en gelegenheidsbieders van fundamentalisme. Ook Paul Berman, auteur van het onvolprezen Terror and Liberalism, richt in een onthullend boek over Tariq Ramadan zijn intelligente pijlen op intellectuelen als Ian Buruma en Timothy Garton Ash die door het opportunisme waarmee ze de linkse elites willen plezieren, de islamdiscussie bewust vertroebelen en valse klanken laten meeklinken.

Zo schreef Garton Ash ooit een artikel in The Guardian waarin hij Ayaan Hirsi Ali bot aanviel; om haar vermeende onbeduidendheid zwaar aan te zetten voerde hij daarin een andere islamitische intellectueel op, die zoveel waardevoller zou zijn: Gammal al Banna, oudoom van Ramadan. Wat was hij wijs, vredelievend en goedgunstiger dan Ayaan, aldus Garton Ash. Maar op dezelfde dag dat dit artikel verscheen, publiceerde het MEMRI-instituut voor Midden-Oostenstudies een rapport waaruit Garton Ash’ paradepaardje opdoemt als bewonderaar van de aanslagen van 11 september 2001, gericht tegen het perfide Amerikaanse kapitalisme. Tevens is die sympathiek verklaarde oudoom voorstander van vele andere zelfmoordaanslagen gericht tegen westerse invloeden.

Ook Buruma die het niet aflaat om islamcritici als de Franse filosoof Pascal Bruckner van fascistische uitlatingen te betichten, gaat regelmatig de mist in omdat hij nooit het fascisme bevraagt van de illustere moslimleiders die hij telkens vrijpleit. Hij wordt terecht zelf gelaakt door prominente, liberale stemmen binnen de islam voor deze volstrekt onkritische, modieuze houding.

Het gehele islamdebat komt voor Christopher Hitchens, auteur van God is niet groot, neer op het islamitische verbod op interpretatie van de koran en andere religieuze teksten. Hier wortelt de starheid en onverdraagzaamheid die maakt dat islam en moderniteit elkaar niet verdragen.

Verwant aan deze gedachte is ook het werk van de Canadees-Pakistaanse feministe Irshad Manji, die zichzelf een moslim-refusnik noemt en openlijk toegeeft zich te schamen voor de feodale ontwikkelingen binnen haar religie. Zij roept op tot een hernieuwde traditie van ijtihad: een begrip uit de twaalfde (gouden) eeuw van de islam toen geleerden zochten naar harmonische verhoudingen tussen religies en een vrije en verrijkende theologische en filosofische discussie.

Vrijheid, introspectie en relativisme is het laatste wat de als aartsconservatief bekende Roger Scruton in zijn boek Het Westen en de Islam verwacht. Scruton houdt vast aan de botsing der beschavingen en meent dat de proef van een leefbare islam het begrip en de acceptatie van het Westerse secularisme en omhelzing van de verlichtingsidealen behelst.

Veranderingen kunnen snel gaan, laat de werkelijkheid zien: werd zo’n tien jaar geleden zelfs de meest voorzichtige kritiek in de doofpot gestopt en sloten moslims de rijen tegen hun criticasters, nu komen de meest realistische en gedurfde analyses van wat er mis kan gaan van mensen als Ahmed Marcouch of Ahmed Aboutaleb. Deze bewonderenswaardige emancipatie is zonder twijfel gestimuleerd door het luide islamdebat, dat velen als vuig en giftig proberen voor te stellen. Dit discours verdacht maken, het proberen te smoren en zijn deelnemers intellectueel intimideren, leidt tot een blikvernauwing op de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen en knelpunten. Zo raken de ogen gesloten of zelfs geblinddoekt, juist nu we elkaar in alle alertheid en leergierigheid moedig, nieuwsgierig en ook veeleisend moeten aanschouwen.

Eerder verschenen in Roodkoper, tijdschrift voor cultuur, religie en politiek. Nausicaa Marbe is schrijfster en columniste, en bovenal bijzonder aangenaam gezelschap.

Algemeen