Frontaal
Naakt
27 april 2016

Het feminisme, de criminaliteit en het meisje

Justine le Clercq

nom9
Foto: Sakiko Nomura

Het feminisme zit me op de hielen. Tot voor kort had ik nooit last van ze, maar sinds ik hier en daar publiceer stuiven ze als een roedel hyena’s op me af.

Vroeger was het mijn vioolleraar die me op de hielen zat, toen de kinderpolitie, daarna een afgewezen minnaar met een dubbelloops jachtgeweer en nu dus het feminisme. Er zit niet echt een stijgende lijn in mijn achtervolgers.

Waarom zitten ze me op de hielen? Voor zover ik het begrijp is dat:

1. omdat ik een vrouw ben;
2. en als gevolg van punt 1 mij dus moet verantwoorden voor mijn gedrag, gevoelens, intenties, kookkunsten en schoenkeuze.

Afgewezen minnaar

Inmiddels weet ik dat feministen er gek op zijn om vragen te stellen waarin het antwoord, door hun intonatie en die verfomfaaide voorhoofden, al zit vastgeklonken. Eigenlijk stellen ze geen vragen, ze vuren vragen af met een snelheid waar dat jachtgeweer van die afgewezen minnaar nooit aan toe is gekomen.

‘Ben je feminist? Waarom denk je van niet? Wil je ontkennen dat vrouwen minder betaald krijgen? Denk jij dat mannen je niet in de weg zitten?’

Of deze: ‘Er zijn paden geëffend voor jou, en wat doe jij ermee?’

Het lastigste aan feministen is dat ze overal wonen, ook bij mij in de buurt, terwijl ik toch echt heel fatsoenlijk woon. Er is een feministisch sujet die ik regelmatig tegen het koffiedrinkende lijf loop, en die mij telkens toebijt: ‘Ben jij wel feminist?’

Achterlijke levensvorm

Feminisme staat voor allerlei humanistische dingen, zoals gelijke kansen voor ons allemaal, ongeacht de manier waarop je geslachtsorgaan is afgewerkt. Het schijnt dat een vrouwelijke afwerking van je geslachtsorgaan betekent dat je een lager salaris krijgt dan de mannelijke afwerking. In de praktijk houdt dat in: voor een excellijstje gemaakt door een vrouw wordt minder betaald dan exact hetzelfde excellijstje gemaakt door een man. Dit bevestigt natuurlijk alleen maar wat we al weten: dat de mensheid een volstrekt achterlijke levensvorm is. Maar goed.

Om alle soorten geslachtsorganen dezelfde kansen en rechten te geven, is het nodig dat er strijd wordt gestreden, een strijd die doorgaans wordt aangezwengeld via aansprekende voorbeelden in de sport, de kunsten, de wetenschap of in de politiek.

Hoe weet je of de geleverde strijd zijn vruchtjes afwerpt? Dat meten we bijvoorbeeld af aan schoolprestaties (ook Hutu-meisjes gaan nu naar school), de arbeidsmarkt (is er al een vrouwelijke minister-president?), en de criminaliteit.

Typisch mannenbolwerk

De criminaliteit is nu zo’n typisch voorbeeld van een mannenbolwerk waar de vrouw tot voor kort maar een marginaal aandeel in had. In vorige eeuwen deden vrouwen wel eens aan vergiftiging (van hun man uiteraard) of een broodje stelen op de markt, maar dat was het dan wel. Het vergt dan ook specifieke en uitzonderlijke eigenschappen om je op het criminele pad te begeven, en het is ook niet ongevaarlijk.

Het was rond de jaren tachtig vorige eeuw dat ik mij dit alles zeer begon aan te trekken. Ik was vijftien en het leven drong zich aan me op. De roep om gelijke behandeling en participatie van vrouwen op alle terreinen trof me diep. Ik begreep dat het aan mijn generatie was om een volgende stap te zetten.

Om je verdienstelijk te maken binnen een beweging is het verstandig je tot een specifieke aanpak te wenden, en niet alles tegelijk te willen. Je kan tenslotte niet én arts én topsporter worden.

Veroordeelde meisjes

Het aandeel van jongens in de criminaliteit was op dat moment ongeveer twintig per duizend inwoners, terwijl er maar drie meisjes waren op de duizend inwoners die zich crimineel gedroegen. Hier was sprake van een duizelingwekkende achterstand. Meisjes werden ook veel minder vaak aangehouden door de politie.

Ik besloot dan ook om me te richten tot de criminaliteit. Samen met vierduizend andere meiden toog ik halverwege de jaren tachtig aan het werk. We namen onze taak niet licht op. Na reeksen van diefstallen, inbraken, zakkenrollerij, overvallen en vernielingen bereikten we eindelijk waar we op hoopten: we werden, net als jongens, door de politie opgepakt.

Uit deze arrestaties volgden vele veroordelingen. Hoewel het aantal veroordeelde meisjes nog niet in verhouding stond tot het aantal veroordeelde jongens, was het een overwinning van jewelste en gaf het ons het optimisme en de energie om door te gaan. Het aandeel meisjes steeg – door ons! – van drie naar vijf per duizend inwoners!

In de cellenblokken van de hoofdbureaus ontdekten we dat gelijke behandeling nog ver te zoeken was. Cipiers, vooral van oudere leeftijd, hadden moeite met ons. We deden ze denken aan hun eigen dochters en ze brachten ons extra sigaretten, blikjes Cola en ze spraken ons vaderlijk toe. De ongelijke behandeling werd ook fysiek en vocaal duidelijk. De jongens werden in hun cel zo nu en dan mishandeld, iets wat wij meisjes ontbeerden.

Barbiepoppen trekken

Lange tijd heb ik nog gedacht dat deze ongelijkheid werd rechtgetrokken door de seksuele diensten die de meisjes leverden in de goed aangeschreven tuchtscholen, maar na al die landelijke onderzoeken weet ik dat de jongens het in de tuchtscholen ook niet makkelijk hebben gehad.

Toen mijn tijd als meisje erop zat bleef ik belangstelling houden voor de strijd die mijn zusters streden en zag met genoegen dat het aandeel van vijf criminele meiden per duizend inwoners steeg naar acht in het jaar 2004.

Bescheidenheid schijnt de mens te sieren, maar doet de geschiedschrijving tekort. Daarom, beste roedel hyena’s, beste feministen: ik was al feministisch emancipatorisch humanistisch bezig op een leeftijd dat jullie nog verdwaasd met een glas Roosvicee vals lispelend elkanders barbiepoppen uit elkaar zaten te trekken; ik was een van die meisjes die de barbiepop geen blik waardig gunde ten dienste van het feminisme en in opstand kwam tegen de marginale aanwezigheid van meiden in de criminaliteit.

Schouderklopje van Cisca Dresselhuys

Dat ik moedig was, dat ik emancipatorisch bezig was, dat ik de weg effende voor mijn zusters en collega’s, nooit ben ik ervoor bedankt. Aandacht of een schouderklopje van Cisca Dresselhuys of Margriet van der Linden? Nee, nooit gekregen, en ook mijn medestrijdsters niet. En ondanks ik geen erkenning krijg van jullie, houd ik me fier. Want ook dat hoort bij het effenen der paden, geen erkenning krijgen.

Mocht een feministe me straks toch weer achtervolgen, dan zal ik, als een ode, voor heel even mijn oude beroep hervatten, en behendig haar portemonnee rollen. Helaas zit daar doorgaans minder geld in dan bij de mannen.

Justine le Clercq (1967) is schrijver en tentoonstellingsmaker en werkt als HBO-docent en projectleider in de zorgsector. Van haar verschenen twee boeken. Ze heeft een website en een Facebook-pagina.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home