4 mei: Abel en Christa
Ruud Hendriks

Foto: Sakiko Nomura
Vanochtend nam ik twee minuten stilte, bij het bericht op Facebook van Christa Noëlla. Je kunt daar ‘live’ meemaken welke snaar zij wist te raken, want de reacties stromen binnen waar je bijzit. Na die twee minuten bleken er meer dan honderd reacties bijgekomen. Die scrollde ik even door. Werd ik nog stiller van. Het hagelt er haat. Gelet op de inhoud van verreweg het merendeel van die reacties blijkt dat Christa een teer punt heeft gemaakt, dat door de haar toebedeelde verwensingen wordt onderstreept.
Vergeleken met splijtspecialiste Ebru Umar is Christa een toonbeeld van beschaving, maar hele legers die de vrijheid van meningsuiting verdedigen en Ebru op de schouders namen, lijken ineens verdacht veel op mensen: levende paradox. Veel van die 4-mei-fanaten, voorstanders van de plechtige stilte waarmee oorlogsslachtoffers worden herdacht, leven zich uit in agressie en wensen Christa het ergste toe. Christa moet het land uit. Christa moet oprotten. Christa moet haar gore bek houden. Dat zijn de meer beschaafdere denkbeelden van Christa’s landgenoten die duidelijk maken dat Erdogan, nader bekeken, eigenlijk best een toffe peer is. Met een prima persbeleid en meer gevoel voor humor. Je moet er niet aan denken dat die reageertokkies de scepter over Turkije of Nederland zwaaien. De realiteit is echter ook bizar: dat die van haat vervulde mensen dus straks de doden – slachtoffers van extreme agressie en haat – herdenken in stilte.
Herdenken is goed, herdenken móet: die logica. Dodendogma dus.
Nederlands vingertje
Elders op Facebook verwoordt ene Brian uitgebreid het nut van 4 mei. Ook daar regent het reacties, grotendeels tegengesteld aan die welke Christa krijgt te verduren. Brian haakt tal van open deuren aan elkaar. Geen onwaarheden, eerder met het kenmerkende, wijzende en corrigerende Nederlandse vingertje. Hij gebruikt in het slotdeel van zijn betoog het woord ‘jongedame’, waar hij Christa bedoelt. Belerend trekje. De reacties maken duidelijk: Brian, jij bent er eentje van ons, respect! Brian is het welles, tegenover Christa’s nietes, oppervlakkig bekeken.
Er is een verschil tussen waar, waarheid, en waarachtigheid. Vaak is iemands perceptie op wat waar is, en wat waarheid is, het begrijpelijke en belangrijkste haakje voor het vormen van een mening over een hete kwestie als deze. In debat en discussie blijkt het ook vaak de kiem voor de drang gelijk te willen hebben, of halen. Met die drang bestaat het gevaar voorbij te gaan aan dat wat waarachtig is, noem het een combinatie van intrinsieke motivatie, integriteit en oprechtheid. Daarin is ook gevoel, emotie, geen geringe factor. Waarachtigheid sneuvelt vaak, helaas. Of liever gezegd: besef dat er meer is dan het eigen gelijk, onderstreept met wat waar is, gesteund door waarheden. Veel van wat Brian over 4 mei zegt, is waar. Belangrijker voor mij is het waarachtige, van wat Christa schrijft.
Lijden van de mens
Ik dacht plots aan het woordje ‘amen’. Het beamende slotwoordje na menig gebed, dat zoveel wil zeggen als ‘zo is het’. Met een hinkstapsprong was ik zo bij Salomon Zeitscheck, het door Abel Herzberg gecreëerde alter-ego; het gespleten personage dat hij in zijn late novelle, Drie Rode Rozen (1975) een existentiële crisis laat uitvechten.
Salomon Zeitscheck twijfelt aan alles, voert aldoor gesprekken en discussies met zichzelf, in de eenzaamheid van zijn oude dag. Hij valt in feite uit elkaar in twee persoonlijkheden: Salomon, en Zeitscheck. Verscheurt door het trauma van de Holocaust en de dood van zijn vrouw en kind. Er is een moment waarop Salomon weigert ‘amen’ te zeggen, hoe gelovig hij ook is. In hem ontwaakt de stem van protest: ‘Het is NIET zo!’, klinkt het in de eigenwijs-gelovige Salomon.
Met Drie Rode Rozen schreef Herzberg in feite een moderne variant van het oudste bijbelboek, Job. Salomon Zeitscheck voelt zich geroepen om af te maken wat Job eeuwen geleden liet liggen: de Allerhoogste (‘God’ zegt hij als jood niet) ter verantwoording roepen en aanklagen voor het onrecht en lijden van de mens. Job liet zich uiteindelijk door de Allerhoogste afbluffen, vindt Salomon. Of Zeitscheck. Dat voornemen splijt de mens Salomon Zeitscheck. Hij wordt aanklager en verdediger tegelijk. Levende paradox, vat vol tegenstellingen. Job, Abel Herzberg, en Salomon Zeitscheck zijn wel aan elkaar gewaagd, liggen in elkaars verlengde. Als eeuwige twijfelaars.
Verschillende generaties
Abel Herzberg overleed in 1989. Ik vroeg me af wat het zou kunnen opleveren, wanneer we een tafeltje reserveren in een ruimte, ver verwijderd van alle welles-nietes-hysterie van onze moderne tijd, en we Abel en Christa een paar uurtjes gunnen. Even maling hebben aan de dood, en Abel terughalen. Om met Christa op ‘4 mei’ te kauwen, en kijken wat dat oplevert. Veel moois, vermoed ik. Dan zit er een man die zowat een eeuw geleefd heeft, tegenover een – jawel – jongedame die nog een heel leven voor haar heeft. Ze vinden elkaar, die twee verschillende generaties, in dat kenmerkende, universele protest, van Salomon Zeitscheck, die weigert nog langer ‘Amen!’ te zeggen. En dus samen zeggen: ‘Het is NIET zo!’
Het is goed denkbaar dat de wijze Herzberg Christa zou toespreken met ‘U’, en met ‘jongedame’. Het staat voor mij vast dat hij dat in beide gevallen zou bedoelen als een vorm van respect. Niet denigrerend. Niet als ‘wijze’ tegenover de ‘onwijze’. Abel tegenover Christa, zou zomaar een groepsgesprek kunnen worden met vier of zes deelnemers. Misschien meer zelfs. Dat hangt een beetje af van Christa’s vermogen zich open te stellen voor de menselijke paradox, het vat vol tegenstrijdigheden die een geestelijk gezond mens typeert. Abel, Salomon, Zeitscheck, en wie weet hoeveel andere versies of persoonlijkheden van Abel Herzberg zouden welwillend in gesprek of debat willen gaan met Christa en even zovele Christa’s die er in Christa schuilgaan. Voor je het weet zou je denken in een toneelstuk van Luigi Pirandello te zijn beland. Die zou je eigenlijk ook een stoel gunnen bij dat gesprek, maar ik vrees dat het dan wel heel erg druk wordt…
Hakken in het zand
Goed. Christa zou Abel eerst even moeten bijpraten. Over haar bericht op Facebook. Wat Facebook eigenlijk is. En sociale media, en internet. Kans is groot dat Abel dan even moet bijkomen, wars van geroeptoeter als hij is en de hoofdpijn die het hem in zijn leven altijd heeft bezorgd: te merken dat mensen – bijna dertig jaar na zijn dood – nog altijd druk zijn elkaar met meningen naar het leven te staan. Had hij daar nou een concentratiekamp – Bergen-Belsen – voor overleefd? Had ie daarvoor zijn ambitie, om schilder te worden, ingeruild voor een leven als schrijver en advocaat?
Gelukkig voor ons echter, en voor Christa, is het juist de overlever, jurist en schrijver die een grondige afkeer ontwikkelde van snelle veroordeling, van gemakzuchtig oordelen en veroordelen. Nadat hij door Christa over onze moderne communicatiefenomenen zou zijn bijgepraat, zou Abel zich over de ‘4-mei-kwestie’ buigen. Wat zou hij Christa zeggen? Waarschijnlijk zou hij haar – figuurlijk – het hemd van het lijf vragen. Interesse impliceert nieuwsgierigheid. Dus Abel zou waarschijnlijk gericht zijn op de vraag: wie zit er eigenlijk tegenover mij? Waarom denkt zij wat ze denkt?
De kans is levensgroot dat Abel met name oog zou hebben voor datgene wat waarachtig is aan Christa’s ‘aanklacht’. De kans is klein dat hij belerend zou zijn, en Christa zou willen overtuigen van het ene gelijk, van wat waar is en wat waarheid is. Hij heeft immers een leven lang zélf geworsteld met de weerbarstigheid van waarheden, en bovenal met percepties op wat waar is, bedrieglijk als die soms blijken te zijn. Hij heeft ervaren hoe drammerig mensen daar van kunnen worden, staande in hun gelijk, als ‘met de hakken in het zand’. Niet echt vrolijkstemmend. Nee, Abel zou waarschijnlijk inzetten op de ‘punten van de kwestie’, dat wil zeggen: de punten die Christa inhoudelijk maakt. En die punten ten eerste scheiden van allerlei andere punten, die er bij veel Nederlanders vaak toe leiden elkaar vliegen af te vangen. Met als resultaat verwijdering, afstand, enzovoorts.
Eigen kind begraven
Abel zou geen vrees hebben de ‘allochtoon’ in Christa te zien. Daar zou hij niet aan voorbijgaan. Abel kent dat beeld. Hij zou misschien zeggen: ‘Na de oorlog heb ik nog vijfenveertig jaar geleefd: geleefd met de gedachte niet uitgeroeid te zijn. Zelf ben ik kind van Russisch-joodse immigranten. Dat heet tegenwoordig allochtoon van de tweede generatie.’ Daarmee smeedt Abel een bandje, met Christa. Hij zou zijn verhaal misschien kunnen vervolgen door te zeggen: ‘Op jouw leeftijd, voor de oorlog, had ik last van alledaags racisme. Op de lagere school, op de middelbare school, in het studentencorps: er was, niet heel extreem, sprake van antisemitisme. Zodanig toch, dat ik het gevoel kreeg thuis nooit thuis te zijn. Aldoor ontheemde…’
‘Weet je, Christa, ook ik weet hoe vol mensen zitten van die oorlog. Tijdens de oorlog heb ik vaak hoop geput, in bizarre en onmenselijke omstandigheden. Hoop geput uit het verlangen naar de tijd ná de oorlog. Het fijne is dat die tijd kwam, maar het gekke is dat toen die tijd bevroor: voor mij was er, als het ware, alleen nog maar een tijd van ná de oorlog. En zoals wij hier nu zitten, zoals ik nu tegenover U zit, is het nog altijd die tijd. Die tijd van ná de oorlog. Ziet U, ik denk dat daar gevaren aan kleven. En wat ik hoop is dat U dat heeft willen zeggen, want dan geef ik U een hand.’
Abel laat even een stilte vallen. Schrijvers weten wel raad met een stilte. Na een poosje wijst hij naar boven, en hij zegt glimlachend: ‘Daarboven volg ik jullie nog wel een beetje hoor. Ik lees nog wel eens wat. Zo las ik een paar jaar geleden een wanhoopskreet van een Afghaanse moeder. Zij zei: het verdriet van een moeder die haar eigen kind moet begraven, is overál ter wereld, voor élke moeder even onverteerbaar, onverwerkbaar, en even onrechtvaardig. Ongeacht waar haar wieg heeft gestaan! Ik had toen voor die dag genoeg gelezen. Haar verdriet is het mijne. En als ik U goed begrijp, is dat ergens ook Uw verdriet. Of wanhoop…’
Joodse moeder
Net op het moment dat Christa denkt dat Abel een nieuwe stilte laat vallen, gaat hij verder: ‘Daarom sta ik pal achter U. Of naast U, zo mag U het ook zien. Weet U, U doet mij denken aan een joodse moeder, die na een lezing van mij – over de oorlog ja – opstond in het publiek. Zij stelde mij een vraag. Eentje die uit haar tenen kwam. Zij klonk net zo wanhopig als die Afghaanse moeder. Zij vroeg mij: meneer Herzberg, vertelt U mij, hoe voorkomen wij dat onze kinderen opnieuw slachtoffers worden, van de beulen van morgen? Het werd stil in de zaal. Ik antwoordde haar, zonder aarzeling of twijfel, terwijl ik toch best een twijfelaar ben: mevrouw, ik denk dat U de verkeerde vraag stelt, en dat spijt mij oprecht. Uw vraag, onze vraag, moet mijns inziens luiden: wat kunt U zélf doen om te voorkomen dat Uw kinderen de beulen van morgen worden, die slachtoffers maken? Die vrouw ging weer zitten, verdween in het publiek. Ik heb haar niet meer gesproken, nooit meer gezien. Misschien zit ze nu een beetje tegenover me… En kunnen we een beetje bijpraten.’
Nou ja, zoiets dus. Ik kan mij voorstellen dat het gesprek tussen Abel en Christa zo zou kunnen verlopen, ergens in een schemerruimte tussen hemel en aarde. Of liever: dat Abel als levenswijze 123-jarige zo een gesprek in gang zou zetten. Beangstigend is de vraag wanneer we ons realiseren dat we – niet zomaar – blijken te leven in een tijd vóór ‘de’ oorlog. En ons afvragen welke oorlog dát is. Welke gevolgen die oorlog heeft, en voor wie. En of er dan ook nog een tijd komt, van ná de oorlog. Het heeft na de Tweede Wereldoorlog oorlogen geregend, tot op de dag van vandaag. Desalniettemin heeft ‘ná de oorlog’ onmiskenbaar een blijvende zeggingskracht. Hoe lang heeft het na de Eerste Wereldoorlog geduurd, dat mensen beseften dat ze niet meer in de tijd ‘ná de oorlog’ leefden, maar in de tijd ‘vóór de oorlog?
Onze manier van leven
We kunnen bij herdenken aandacht richten op datgene wat er is gedaan om een einde te maken aan ‘de’ oorlog, welke tijd er aanbrak ná de oorlog en welke verworvenheden ons dat opleverde. Dus óók wie dat ‘ons’ is, en wat dat ‘ons’ tot ‘ons’ maakt, of wat daar voor nodig is. Helaas is maar al te vaak het eerste dat een vreemdeling en vluchteling krijgt te horen, het gebod zich aan ‘ons’ aan te passen, zich te schikken naar ‘onze normen en waarden’, en ‘onze manier van leven’.
Bij uitstek is die houding voor de eiser comfortabel. Die kan het zich zo veroorloven passief te staan tegenover de ‘ontmoeting’ met de ander: die ander wordt geacht in actie te komen, door zich aan te passen aan mens- en wereldbeeld van de eiser. Lekker makkelijk. Maar ook: wat een nare manier van iemand ‘welkom heten’. Je vlucht voor vervolging en als je dan ergens heil vindt, veiligheid, wordt je als eerste voorgehouden wat jij, vreemdeling, allemaal hebt te moeten. Noem dat maar samenleving. Abel Herzberg zou er woest van worden. En helemaal wanneer de extreme variant daarvan opdoemt, die van assimilatie: dat mensen zover gaan zich kritiekloos aan te passen aan de dominante, zeg gerust heersende cultuur. Want dat ging de ‘aldoor ontheemde’ Herzberg een stap te ver.
Onlangs waren bij ‘Pauw‘ vier Nederlandse jongeren met Turkse achtergrond te gast, die hun mening gaven over de hatelijke opmerkingen die zij krijgen te verduren van columniste Ebru Umar. Eén van die jongeren, student economie Muhammed Kat, sneedt dat thema van assimilatie aan, en maakte op empathische wijze duidelijk hoe ver dat soms kan gaan: die eis van buitenaf om zich aan te passen. En de daarmee samenhangende vraag wanneer zij het dan eigenlijk ‘goed’ doen.
Zijn overbuurman aan tafel, werkzoekende Onur Durgunsu vulde uit eigen ervaring aan. ‘Je doet het eigenlijk nooit goed.’ Tekenend voor de empathie van Jeroen Pauw was dat hij dat voorbij liet waaien. Alsof het niet belangrijk was, niet urgent, niet een teken van onze tijd. Schrijnend.
Borrel pakken
Had Herzberg aan die tafel gezeten, dan had hij die waarschijnlijk dwars doormidden geslagen. Tegen die jongeren gezegd: ‘Kom, heren, we stappen op. Er valt hier niks te beleven. En niks te leren. Tegen dovemansoren spreken is zinloos. Laat ons de stad intrekken, ergens een borrel pakken. Er is vast nog wel een BN’er die een boek of cd heeft te verkopen, dus vol krijgen ze dit programma ook zonder ons. Weet je wat, ik ga voor. Volg mij.’
Met die jongeren, net als hij ‘aldoor ontheemden’, zou hij de tijd wel doorkomen. Misschien zou Christa kunnen inhaken. Ik vermoed van wel. De rede en de vrede zouden het weer snel in Herzberg winnen. Zoals Anet Bleich schreef in haar mooie bespreking van ‘Een wijze ging voorbij‘, de Herzbergbiografie van Arie Kuiper:
“Herzberg zette de woede dus opzij en gebruikte al zijn energie om te proberen te begrijpen wat de beulen had bezield. Hij meende ook een verklaring te hebben gevonden; die had hij al in hoofdlijnen geformuleerd in het vóór de oorlog verschenen artikel ‘Tussen kruis en hakenkruis‘ en hij werkte de gedachte nader uit in zijn Kroniek van de jodenvervolging. Het komt erop neer dat de nationaal-socialisten zich probeerden te ontdoen van de last van het geweten, van het onderscheid tussen wat mag en niet mag. De heiden in hen kwam volgens Herzberg in opstand tegen de christelijke moraal, die door de joden in de wereld was geïntroduceerd (in de vorm van de Tien Geboden).”
De beul in onszelf
Bleich merkt er meteen bij op: dat was niet het laatste woord dat er over die kwestie is gezegd en geschreven. Nee, het laatste zeker niet. Ook niet het ‘juiste’, want daar gaat het hier niet om. Het begint bij het stellen van de vraag, bijvoorbeeld de vraag die Herzberg die joodse moeder meegaf. In die zin de vraag uit het citaat hierboven: de vraag wat beulen bezielt. Daarmee ook onherroepelijk de erkenning van de beul in onszelf. Beulen die hakken, na zonden tegen de regels van wat mag en niet mag. De vraag waarom beulen gehoorzamen en hakken. De vraag naar de zin en onzin van regels, naar de speelruimte van vrijheid. De vraag die we ons stellen over onze eigen verantwoordelijkheid.
Ik denk dat het wel wat moois zou worden, Abel Herzberg, Christa Noëlla, en die vier ‘Neder-Turken’, in mijn verbeelding weggelopen bij ‘Pauw‘: Muhammed Kat, Onur Durgunsu, Ugur Yuksel en Nilay Külci. Bij elkaar opgeteld tellen de levens van Abels gesprekspartners dan bijna net zoveel jaren als Abel zelf. Misschien dat ze dan alsnog Salomon Zeitscheck kunnen helpen. Want die werd in Drie Rode Rozen, toen puntje bij paaltje kwam, afgewezen door nota bene de door hemzelf aangeschreven rechtbank: zijn nicht en haar vrienden in Israël. De aanklacht van Salomon werd na lang beraad niet ontvankelijk verklaard.
En daar zat ie dan, in Amsterdam. Wachtend op de dood. Door Jan en alleman in de steek gelaten. Wat zou er nog te herdenken zijn voor Holocaustoverlever Salomon Zeitscheck? Misschien dat Abel Herzberg het zou opwerpen als denkoefening. Leerzaam, dat weet ik zeker. En net als Abel even door de Facebook-timeline zou scrollen, zich verwonderend over het hedendaags technisch communicatievernuft, en zou vragen ‘Wie is in hemelsnaam die Ebru Umar?’ zou ik vragen of ik even mocht aanschuiven…
Ruud Hendriks’ filmkennis is fenomenaal. Je kunt vrienden met hem worden op Facebook.





RSS