WRR moet roze bril afzetten

Nahed Selim

kan (67k image)

Ronduit teleurstellend vind ik het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over wereldwijd islamitisch activisme. De conclusie dat Nederland en de Europese Unie toenadering moeten zoeken tot islamitische organisaties –ook als het om reactionaire organisaties als Moslim Broeders gaat– is vooringenomen en onwetenschappelijk.

Om de regering te kunnen adviseren hoe om te gaan met islamitische vraagstukken in binnen- en buitenland heeft de Raad, geholpen door externe onderzoekers, het islamitische activisme in de afgelopen 35 jaar onderzocht. Onder activisme verstaan zij het politiek denken, politieke bewegingen en recht.

Maar de raad gaat hierbij wel erg selectief te werk: alleen de ‘positieve’ stromingen mochten besproken worden. Dat blijkt ook duidelijk uit het citaat: ,,Tegelijkertijd richt hij (de Raad) zich niet op de beschrijving en analyse van alle facetten hiervan dus inclusief de zo bekende negatieve manifestaties.”

Dit is onbegrijpelijk. Waarom mogen de zo bekende negatieve uitingen van het islamitisch activisme (zoals terrorisme, grootschalige afslachtingen en genocide zoals in Algerije en Soedan) niet besproken en geanalyseerd worden? Blijkbaar zou dit de raad verhinderen om uit te komen bij de gewenste conclusie: ,,Dat het islamitisch activisme wel degelijk aanknopingspunten biedt voor democratisering en mensenrechten.”

Maar zelfs wie niet naar de extreemste uitwassen kijkt, moet tot de conclusie komen dat de WRR een te roze bril op heeft. Politieke bewegingen als de Moslim Broeders, de FIS, de Iraanse Revolutie, de Taliban, Hezbollah, Fatah, Islamitische Jihad en at-Takfir wal-Hijah, hebben niets met democratie en mensenrechten te maken.

Het rapport verdeelt de politieke denkers in twee categorieën: zij die hun inspiratie zoeken in de utopie van de begintijd van de islam (wat hier in Nederland vaak aangeduid wordt als de zuivere islam en sterk is beïnvloed door het wahabisme), en daartoe de letter van de Koran en de soenna als richtsnoer nemen(Syyed Qutub, Hassan al-Banna et cetera), en zij die de vrije interpretatie van teksten aanmoedigen en het moderniseren van het islamitisch denken voorstaan. (Al-Tahtawi, Muhammed Abdu, et cetera).

Dat de vrije positie die deze tweede categorie innam over de Koran en de soenna tot op heden in de moslimwereld controversieel is gebleven, weet het rapport wel te melden. Hoe groot hun invloed ook mocht zijn onder en dankzij de socialistische of liberale regimes van voor de jaren zeventig, in de huidige tijd worden ze nog slechts bewonderd door een kleine elite van intellectuelen, islamologen en arabisten. In plaats van deze eenvoudige en aantoonbare constatering (geen enkele massabeweging in de moslimwereld is nog geïnspireerd op erfenis van deze vrije hervormers) komt het rapport met de raadselachtige formulering: ,,De keuze van de hier opgevoerde denkers berust niet op hun invloed of aanhang maar op hun inhoudelijke bijdrage van het ontdoen van de islam van zijn traditionalistische en legalistische interpretatie.” Het lijkt alsof de onderzoekers willen zeggen: Al gelooft de politieke islam niet meer in die vrije denkers, toch kunnen we omwille van de vrije denkers met de islamisten onderhandelen.

Het sussende karakter van het rapport komt het duidelijkst naar voren in het hoofdstuk over de islamisering van het rechtssysteem. Hoewel er maar acht van de 48 islamitische landen zijn die het strafrecht en constitutionele recht baseren op de sjaria, wanneer het om familie- en erfrecht gaat (bij uitstek het domein van de man/vrouw verhouding), vormt de sjaria in vrijwel alle moslimlanden, in meer of mindere strikte interpretatie de basis. Een duidelijker voorbeeld van hoe de religie de belangen en de voorrechten van mannen boven die van de vrouwen bedient en instandhoudt, is haast niet te vinden.

Het rapport staat niet stil bij het feit dat de secularisering van het familie- en erfrecht in 40 landen al 165 jaar achterloopt ten opzichte van het strafrecht dat voor het eerst was gemoderniseerd, volgens het Franse model in 1840. onder Sultan Abd al-Majid. In plaats van te treuren om dit flagrante onrecht tegenover vrouwen prijst het rapport de schamele hervormingen in enkele islamitische landen die de vrouw in staat hebben gesteld te mogen scheiden van haar man, slechts door hem financieel daarvoor te compenseren. Het rapport formuleert het als volgt: „Schoorvoetend verwijdert dit recht zich van de klassieke sjaria en hebben moderne interpretaties hierbij hun intrede gedaan.”

Met een van de constateringen van het rapport ben ik evenwel helemaal eens, namelijk: „Islamitisch familie- en erfrecht vormen in een groot deel van de moslimwereld bij uitstek de rechtsgebieden die gezien worden als authentiek eigendom, het symbool van de eigen identiteit”. Dit is de eigen identiteit waar de meeste moslims in Europa zo zuinig op zijn en die ze met alle macht hier ook willen handhaven. Toch kwalificeert het rapport elke kritiek op deze scheef gelopen ‘eigen identiteit’ als onjuist, islam-bashen en stemmingmakerij.

Een rapport opgesteld door een paar mannen met baard en tulband had nauwelijks erger kunnen uitpakken.

Nahed Selim (1953) werd geboren in Egypte en werkt momenteel als tolk-vertaler. Ze schrijft regelmatig voor NRC Handelsblad, Trouw en Opzij. Eerder publiceerde ze de roman Brieven uit Egypte (2000) en De vrouwen van de profeet (2003). Onlangs verscheen haar nieuwe boek Zwijgen is verraad. Openhartige verhalen over vrouwen en de islam. Het bovenstaande stuk verscheen eerder in dagblad Trouw.

21 april 2006 — Algemeen

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home