Dronken
Peter Breedveld

Ik woon in Rijswijk aan de rand van een gezapige historische dorpskern, vlakbij de grens met het Haagse Laakkwartier. Daar doe ik mijn boodschappen bij de Albert Heijn, omdat die vestiging groter is dan die vlak achter mij. Ik ben er regelmatig getuige van de luidruchtige overmeestering, door Marokkaanse vakkenvullers, van junks en negers die vergeten hun boodschappen bij de kassa af te rekenen.
Gisteren zag ik iets dat ik alleen van de televisie kende, van een reportage over alcoholisme in Moskou, namelijk een man die volkomen laveloos, languit op de stoep voor de supermarkt lag. Het was een Pool of een Slowaak of wat er dan ook tegenwoordig vanachter het voormalige IJzeren Gordijn naar deze contreien is afgereisd om overstromingen, kortsluiting en instortingsgevaar te veroorzaken in vele Nederlandse woningen.
Het Laakkwartier werd tot voor kort gedomineerd door Marokkanen en oudere Hagenezen. De laatste jaren zijn daar steeds meer Oost-Europeanen bijgekomen. Bij de Albert Heijn worden die door de Marokkaanse cassières ongeveer behandeld zoals wij Marokkanen behandelen, met een mengeling van minachting, wrevel, ongeduld en onwil. De Oost-Europeanen spreken geen woord Nederlands en nauwelijks Engels en ze lijken hun vrije tijd voornamelijk te vullen met het drinken van het allergoedkoopste bier dat ze kunnen vinden. Ze zien eruit als galeiboeven en ze hebben overduidelijk helemaal niks met Nederland.
Zo’n type lag dus languit op de stoep en ik dacht eerst dat er iets ergs was gebeurd, maar iedereen stapte over of om hem heen zonder zelfs maar naar de dronkeman te kijken. “Van mij mag hij hartstikke doodvallen, meneer”, zei een oudere Surinaamse man opeens tegen mij. Ik reageerde beduusd: “Wat is er dan gebeurd?” Een blanke vrouw die zijn vrouw leek te zijn, mopperde dat “die lui” dat altijd deden hier. “En hij pist bij ons in het portiek. Ze maken de hele buurt kapot, en vroeger was het hier zo leuk, meneer. Nou, van mij mogen ze allemaal oprotten, maar dat wilt u zeker niet horen, hè?”
Ik ben niet snel om een woordje verlegen, maar nu was ik van mijn stuk gebracht. Ik wist niet wat ik tegen die mevrouw moest zeggen zonder hypocriet te zijn. Ze bestudeerde mijn gezicht. “Nee, u wilt dat niet horen, u vindt dat erg hè?”
Ik zal er niet omheen draaien: ze was het type dat ik meestal snel het etiket ‘Tokkie’, of ‘PVV-stemmer’ heb opgeplakt. Mensen zonder inlevingsvermogen, die wat maar kraaien over andere mensen van wie ze niks weten, maar deze was in elk geval niet achterlijk. Ze wist heel goed hoe hard er op de top van de Olympus werd geoordeeld over uitspraken als de hare. “Ik kan me goed voorstellen dat u dat zegt”, zei ik. “Ik zou dit schorem ook niet voor mijn deur willen hebben.”
“Doet de politie hier dan niks aan?” vroeg ik. De Surinamer keek me meewarig aan. “De politie komt wel eens langs, ja”, antwoordde hij. “En daarna zijn ze weer weg.” Ik haalde mijn schouders op, zei dat ik het vreselijk jammer vond en wenste het paar sterkte. Ik krijg af en toe met dit gajes te maken, als ik mijn voorraad witte wijn en chocola kom aanvullen. Daarna trek ik me weer terug in mijn luxe appartement, in een buurt waar de mensen zich vooral heel erg druk maken om een eigen parkeerplaats voor hun voordeur.
Dit paar leeft dag-in, dag-uit tussen het uitvaagsel. Moet ik die kwalijk nemen dat ze niet netjes op GroenLinks of D66 stemmen, en met hun ‘onderbuik’ denken? Welke andere partij dan de PVV erkent zelfs maar dat deze mensen bestaan?





RSS