Meineed

Prediker


Illustratie: Hans Sebald Beham

“Jansen heeft tegenover de rechtbank keihard gelogen. Of hij is knettergek.”, schreef wetenschaps-journalist Marcel Hulspas afgelopen week in De Pers over Wilders’ kroongetuige: emeritus-hoogleraar ‘hedendaags islamitisch denken’ Johannes J.G. Jansen. Hulspas weet niet nog niet half hoeveel gelijk hij heeft.

Hans Jansen heeft een bescheiden mediacarrière gebouwd op het leveren van ongezouten islamkritiek. Regelmatig verschijnt hij op televisie en in radioprogramma’s om te vertellen dat de Koran moslims toch echt opdraagt om de ongelovigen de hals af te snijden en dat Nederlandse moskeeėn galmen van haatprediking. In menig commentaar waarschuwt Jansen voor de dreiging van de islam, die volgens hem een totalitaire politieke ideologie inhoudt, en spuwt hij zijn gal over naïeve bestuurders en linkse multiculti-knuffelaars.

Het behoeft dan ook geen verwondering dat uitgerekend deze arabist door de PVV-voorman werd aangezocht als een van de islamdeskundigen, om in Wilders’ strafproces te getuigen dat wat deze zoal heeft beweerd over de islam op waarheid en niets dan de waarheid berust.

Men kan echter twijfelen aan de onpartijdigheid van deze getuige-deskundige: niet alleen werd Jansen door Wilders geconsulteerd voor diens film ‘Fitna’; ook werd hij gesignaleerd op PVV-bijeenkomsten en verzorgde de arabist onlangs de inleiding bij de presentatie van het boek van PVV’er Martin Bosma. Daarbij verwees Jansen expliciet naar de racist Enoch Powell. “Rivieren van bloed” zouden volgens Jansen nog wel eens kunnen vloeien, ondanks dat er nu met het kabinet Bruin I een begin was gemaakt met het oplossen van het moslimvraagstuk.

In zijn getuigenis in de zaak Wilders verklaarde Jansen onder andere dat de Koran méér antisemitische passages bevat dan Mein Kampf. Hulspas toont feilloos aan dat dit een onwaarheid is van hier tot aan Treblinka. Ik zou er nog aan toe willen voegen: het Nieuwe Testament bevat méér negatieve passages over Joden dan de Koran. Zo zegt Jezus tot de Joden: “Gij hebt de duivel tot vader” (Joh. 8:44); het bijbelboek Openbaring spreekt van een “synagoge van de Satan” (Op. 2:9, 24); en de evangeliën en hun vervolg schuiven het Joodse volk de schuld van de moord op Christus in de schoenen (Mat. 27:23-25; Mc. 12:1-12; Hnd. 2:22-23). Christenen hebben zich daar twintig eeuwen lang ook naar gedragen.

Bovenstaande is echter bepaald niet de enige onwaarheid in Jansens getuigenverklaring.

1. Zo beweert Jansen over de titel van zijn bestseller ‘Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten’ (Van Praag, 2008) dat ze ontleend is aan de Koran, omdat deze ongelovigen voor allerhande beesten uitmaakt.

In de bewuste verzen blijkt het echter steeds om vergelijkingen te gaan (Soera 62:5), of om bepaalde groepen zondaars die als voorbeeld voorgehouden worden (2:65; 5:60; 7:166). Alleen de aanduiding ‘slechtste van de schepselen’ (98:6) wordt op de ongelovigen in het algemeen toegepast; omdat ze naar de hel gaan. (Wie daar een rolberoerte van krijgt, raad ik aan eens na te lezen wat de bijbel allemaal voor fraais over ongelovigen te melden heeft.)

Jansen vertaalt ‘sharru albariyyati’ in soera 98:6 graag met ‘rotbeesten’, maar ziet daarbij gemakshalve over het hoofd dat in het vers erop de rechtvaardigen onder de gelovigen worden aangeduid als humkhayru albariyyati: ‘de beste van de schepselen’. Erg voor de hand dat de Koran de rechtvaardigen aanduidt als ‘beesten’ ligt het niet. Onze arabist zou gebaat zijn bij een cursusje koranexegese.

2. Geconfronteerd met de bewering van het Factsheet welke de islamoloog Fred Leemhuis e.a. naar de officier van justitie hebben gestuurd, dat de film Fitna soera 47:4 selectief weergeeft, zegt Jansen:

“Dat het gedeeltelijk is geciteerd, klopt. Na het citaat in de film, dient nog te worden opgenomen dat als tegenstanders overwonnen zijn, ze als slaven moeten worden verkocht. De tweede helft van dit vers maakt in mijn ogen het eerste gedeelte niet minder erg. Het gehele vers wil niet anders zeggen dan: je stopt pas met koppen afhakken als de vijand zich overgeeft. Zich dus bekeerd heeft tot de islam. Het is dus niet uit zijn verband gehaald.”

Soera 47:4 zegt echter niets over verkoop als slaven, maar spreekt over het laten vrijkopen van gevangenen en zelfs over amnestie. Dat ging zo in die tijd onder Arabische stammen. Nadat de schermutseling voorbij was, nam men krijgsgevangenen, die weer door de andere stam vrijgekocht konden worden:

“En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, slaat hen dan dood,
maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast,
hetzij om hen later als gunst vrij te laten
hetzij om hen los te laten kopen,
wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd.”

(De Koran, Leemhuis, 2007)

De zelfverklaarde koranexpert had dit kunnen weten, als hij even de moeite had genomen die Factsheet door te nemen. In plaats daarvan volstaat hij echter met een sneer dat hij dat niet de moeite vond, omdat er teveel spelfouten in stonden.

3. Buitengewoon bont maakt Jansen het echter, wanneer hij in zijn getuigenverklaring beweert:

“Ik wijs in dit verband ook op een toonaangevend boek, Reliance of the Traveller. Ook hierin staat dat het een plicht is voor iedere moslim om deel te nemen aan de oorlog, totdat de islam zal triomferen”.

Wie het bewuste 14e eeuwse werk echter opslaat, ziet al gauw dat de moslimgeleerden sowieso ontslagen zijn van militaire dienstplicht (B.2.2), en dat de offensieve jihad, waar Jansen over spreekt, geen individuele, maar een collectieve plicht is: zolang die ergens voldoende vervuld wordt, hoeft de rest van de gelovigen niet mee te vechten (O.9.1):

“Jihad is a communal obligation (def: c3.2). When enough people perform it to successfully accomplish it, it is no longer obligatory upon others.”

Jansen zit dus gewoon onder ede een potje te liegen: de Koran bevat niet méér antisemitische passages dan Mein Kampf; de Koran maakt ongelovigen niet zonder meer uit voor varkens, apen en ezels; Soera 47:4 spreekt niet over het verkopen van krijgsgevangenen als slaven; en nergens in The Reliance of the Traveller staat dat elke individuele moslim de plicht heeft deel te nemen aan de offensieve jihad; er staat juist het tegendeel.

Wie de hoogleraar-in-ruste echter een beetje heeft gevolgd, hoeft zich over het bovenstaande niet te verbazen. Jansen heeft er namelijk een handje van koranteksten te verdraaien, en verkondigt aan de lopende band samenzweringstheorieėn en lasterfabeltjes over moslims en de islam, teneinde die in een negatief daglicht te stellen.

Maar daarover een volgende keer meer.

Prediker (oogst van 1976) heeft een bloedhekel aan leugenaars en propagandisten

10 oktober 2010 — Prediker

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home