Frontaal
Naakt
24 februari 2011

Woede

Josje


Illustratie: William Mortensen

Vorige week besefte ik ineens dat mijn doof-zijn nooit zal worden geaccepteerd als een essentieel deel van mijzelf. Ik doe het namelijk zelf ook niet. Na het verkrijgen van dit inzicht groeide er een intense woede in mij. Die woede was verblindend wit en erg scherp. Ik kon het licht niet doven.

Mijn doof-zijn is energieverslindend. Overal en altijd weet ik dat ik nooit ‘volwaardig’ mee zal kunnen draaien, want oren en ogen hebben is een must om te kunnen overleven in de maatschappij. Ik weet dat anders-zijn – in welke vorm ook – nooit zal worden geaccepteerd. Maar de woede, het intense verdriet van het besef heb ik nooit durven ondergaan.

Mijn hele leven lang heb ik de houding van vele, vele mensen die geen raad met mij wisten, proberen te vergoeilijken vanuit hun standpunt. Ik vond het moeilijk dat mijn man juist daarom het gevecht aanging met de maatschappij, en daarbij met hele scheve ogen wordt aangekeken. Nooit en te nimmer zal hij zich aanpassen, zich conformeren aan de angst, de onwetendheid, de onverdraagzaamheid. Het bizarre is dat ik hem wel begreep, overal en altijd. Maar zelf bedekte ik alles het liefst met de mantel der liefde.

Nu kan ik toegeven dat ik het uitermate oneerlijk vind dat ik overal een gebarentolk voor nodig heb, voor cursussen, voor bijeenkomsten, voor verjaardagen, voor het journaal, voor de radio, voor alles eigenlijk wel. Ik voel me daardoor totaal afhankelijk van een tussenpersoon.

Altijd maar rekening houden met het feit dat ik nooit zomaar ergens naar toe kan gaan. Altijd maar moeten toezien dat mensen naar de gebarentolk toe gaan in plaats van naar mij. Altijd maar moeten zeggen dat ik mijn mondje zelf uitstekend kan roeren, maar dan altijd maar die ongelovige, bange ogen te moeten zien.

Die vergoeilijk maakte dat ik nooit mijn doof-zijn heb geaccepteerd. Ik ben er immers nooit boos of verdrietig om geweest. Ik heb nooit aan mijzelf gedacht.

Sindsdien loop ik rond met dit voor mij schokkende inzicht. Het allesverblindende licht van de woede en het voelen van het verdriet achter in mijn keel ervaar ik als iets nieuws. Het doet geen pijn, ondanks de scherpte. Het werkt eerder louterend, als iets zachts. Als een soort erkenning.

Ik durf nog niet te denken aan de volgende stap: de daadwerkelijke acceptatie. Ik vrees dat ik daarbij mijzelf verlies. Dat ik mijn liefde, mijn vreugde voor het anders-zijn verlies. Dat ik altijd maar boos, verongelijkt, verontwaardigd zal blijven zijn. Is het niet beter om de mantel der liefde te blijven gebruiken?

Helaas is Josje niet zo leuk naïef meer, maar zij blijft volharden in een open kijk op de wereld. Met roodgestifte lippen.

Josje