Batman en Allah
Prediker

Gerry van der List, chefredacteur van Elsevier magazine, meent dat de islam op gelijke hoogte staat als het geloof in Batman. Hij maakt daaruit de gevolgtrekking dat Robert Coleman, die tot voor kort op zijn identiteitsbewijs afgebeeld stond als The Joker, evenveel recht op die malligheid heeft als een moslima op een hoofddoek in háár papieren. Het gaat Van der List uiteraard om de omkering van deze logica: als de zelfverklaarde Poetsenbakker niet met deze grap wegkomt, zouden moslima’s er ook niet mee weg mogen komen.
Of de islamitische wereldbeschouwing meer werkelijkheidswaarde heeft dan Gotham City uit de strips van DC, valt niet met zekerheid vast te stellen. Zeker is wel dat Van der List, voormalig medewerker van de Telderstichting, een fraai staaltje puberaal denken weggeeft.
Ik heb een paar jaar voor de klas gestaan, en een enkele keer probeerde zo’n petjesdragende puber mij wel eens uit met dezelfde redenering als onze geleerde promovendus hier ophangt. Die pet hoort bij mijn geloof, of Hé zeg, maar waarom mag zij dan wel haar hoofddoek ophouden? Mijn reactie was dan eenvoudig. Je weet heel goed wat het verschil is: zet nu die pet maar gewoon af. Dat was voldoende. In tegenstelling tot Van der List begrijpen die jongens heel goed dat die pet voor hen een andere betekenis heeft, dan een sluier voor een moslima.
Irrationaliteit en identiteit
Ja maar, werpt Van der List tegen: de islam is net zo irrationeel als het Batman-geloof; waarom zou het ene bepaalde rechten hebben die het andere ontzegd worden? Heel simpel: Moslima’s leven écht in hun waanvoorstelling. Die voorstelling heeft werkelijkheidswaarde, omdat het werkelijk is voor henzelf. Voor onze Nederlandse Joker’ daarentegen geldt dat niet. Robert Coleman ging helemaal niet door het leven als The Joker. De naam geeft de punchline al weg. Het gaat hier om een veiligheidsbeambte die volgens eigen zeggen aan wilde tonen hoe simpel de regels voor het identiteitsbewijs te omzeilen zijn. Verhaaltje doorgeprikt, missie gefaald.
Voor moslima’s maakt die hoofddoek integraal onderdeel uit van hun identiteit. Daar blijf je als overheid met je regulerende tengels van af, ongeacht de irrationaliteit ervan. Wij met z’n allen kunnen het akelig en bedreigend vinden dat iemand zijn identiteit voornamelijk gestalte geeft aan de hand van een geloof annex waanbeeld, maar het is desondanks iemands goed recht,- zolang hij een ander daarmee niet in de weg zit.
Is er iemand die moeite heeft met het feit dat orthodoxe joden een gedateerde hoed en pijpekrullen dragen, of sikhs een tulband? Gaat Van der List hén dwingen hun baard af te scheren en hun hoofddeksel af te zetten, wanneer ze een intercontinentale vlucht nemen?
Ook vanuit een pragmatisch oogpunt is het onwenselijk, van moslima’s te eisen dat ze hun hoofddoek afdoen voor de foto. Waar het bij een identiteitskaart om gaat is dat iemand goed te identificeren valt. Welnu, moslima’s, orthodoxe joden en sikhs gaan door het leven mét religieuze tooi. Ook op het vliegveld.
Een vrouw waarvan het haar zichtbaar is, oogt juist anders dan wanneer ze een hoofddoek draagt. Het is dus juist in het belang van de identificatie dat zulke vrouwen op de foto van hun identiteitskaart eveneens een hoofddoek dragen. En wat terroristen betreft: die kunnen sowieso wel aan valse paspoorten komen. Dus waar praten we eigenlijk nog over?
Infantiel gedrein
Nog één voorbeeld uit mijn persoonlijke ervaring om de infantiliteit van Van der List’s denkwijze te illustreren: Toen ik een jaar of dertien was verbleef ik een paar weken met mijn ouders in een appartement aan de Costa. Het was een dubbelappartement met een boven en onderverdieping, en we deelden het huis met een gezin uit Meppel; vader, moeder en twee dochters van zeventien. Op zekere dag waren deze meiden gaan lopen met mijn jongere broers. Ik was ook uitgenodigd, maar ik had geen zin om het hele eind te lopen. En bovendien, wat moest ik in de stad, die ik al tig keer gezien had? Bij terugkomst voelden beide dames zich schuldig. Ze hadden voor mijn broers elk een ijsje gekocht, en vonden dat ze mij de volgende dag ook mee moesten nemen om dan een ijsje voor mij te kopen. Weigering van mijn kant was lastig, zo bespeurde ik.
Ik vond dat destijds al merkwaardig: de redenering dat ze mij een ijsje verschuldigd waren omdat ze zo aardig waren geweest mijn broers er beide een te geven, deugde volgens mij niet. Dan had ik immers maar mee moeten gaan.
Dat jongetje ontmaskert de redenering van Van der List als kindergezeur: Nou hoor! Zij mag wel haar ooraanzet bedekken en ik niet. Het is niet eerlijk, wèèèh! Goh, meneer Van der List. Ik wist niet dat u er existentiële behoefte aan had, uw ooraanzet te bedekken? Of heeft u die behoefte alleen maar, omdat een ander het immers óók mag?
Het is niet zo dat een joodsorthodoxe levensbeschouwing of het sikhisme meer privileges heeft dan zeg, een seculiere, humanistische levensbeschouwing: de laatste brengt eenvoudig niet de behoefte met zich mee, de oren te bedekken. Zou het dat wel doen, dan zouden ook seculiere humanisten in aanmerking komen voor deze uitzonderingsbepaling.
Waarom mokken dat een ander iets mag, waar je zelf geen noodzaak toe kent? Het lijkt een beetje op vloeken dat een ander zorgtoeslag en huursubsidie ontvangt en jij niet, omdat jouw salaris toevallig gunstiger is. Voorwaar, het is oneerlijk verdeeld in de wereld.
Het wereldbeeld van Prediker (oogst van 1976) kleurt zich door voorstellingen uit de bijbels-christelijke mythologie, strips en televisieprogramma’s van de late 20e eeuw. Prediker schrijft om de ziel te redden. Een eclecticus en bon-vivant, die bij tijd en wijle wordt overvallen door leesvraat in zijn zoektocht naar een orde onder de chaos. Hij geniet van de kleine ontmoeting en het grote gebaar.





RSS