Schets uit Spanje
Peter Breedveld

No veil is required by Ameer Normandi
Ik zal het wel altijd als wonderlijk blijven ervaren: op het kille, kleurloze Schiphol stap ik in het vliegtuig en tweeënhalf uur later sta ik in het levendige, broeierige Sevilla. Een totáál verschillende wereld waar kleur, geur, muziek, lawaai, mensen, decor, mooi, lelijk en oud en nieuw harmonieus kakofoneren.
Het opvallendst vind ik altijd het contact dat je met mensen hebt. Wildvreemde mensen wisselen hier blikken met elkaar uit, blikken van verstandhouding, van milde spot, gedeelde verbazing, blikken van Jaja, het is me wat’ en daardoor zijn ze helemaal geen wildvreemden voor elkaar. Die blikken vormen een soort bevestiging van elkaars bestaansrecht. We zijn hier samen in deze stad’, spreekt er uit. Gezellig!’.
Ik voel me meteen geaccepteerd, ik voel me zelfs bijna een Sevillaan. Ik ben heel blij dat ik hier ben.
Twee voorbeelden:
In een smal straatje moet ik wachten voor een bestelbusje dat moeite heeft door een bocht te komen. De chauffeur pakt het wel héél onhandig aan en zijn bijrijder kijkt me aan met een mengeling van lichte schaamte, mild leedvermaak en geamuseerdheid.
Bij de receptie van mijn hotel word ik meteen al lastiggevallen door een enorm smerige, stinkende zwerver die een warrig verhaal ophangt. De receptioniste kijkt me aan. Haar blik zegt: Wat doe je eraan?’: opgetrokken schouders, wenkbrauwen omhoog en mondhoeken naar beneden. Het lichaam wordt hier heel bewust en heel intensief gebruikt om te communiceren, wat het voor mij moeilijk te volgen Sevillaanse accent een beetje compenseert.
In Nederland kijkt op straat niemand elkaar aan. Integendeel, iedereen kijkt weg. Niemand wil iets met een ander te maken hebben. In de trein zit iedereen het liefst alleen. Om te voorkomen dat iemand naast hem komt zitten, zet de Nederlandse passagier zijn bagage naast hem op de bank. Zelfs als de coupé helemaal volstroomt met andere passagiers, haalt hij zijn bagage er niet vanaf. Hem aankijken heeft geen zin, want hij kijkt steeds wezenloos uit het raam, om te voorkomen dat zijn blik die van een ander kruist. Je zult hem echt moeten vragen of hij de plaats naast hem wil vrijmaken. Dat doen de meeste passagiers niet, want dan moet je iemand aanspreken en hem wijzen op een faux pas waarvan ook hij zich dondersgoed bewust is. Dan maar liever de hele reis blijven staan.
Nederlandse toeristen gaan altijd het liefst naar plekken waar niemand komt. Ze raden die plekken ook aan elkaar aan. Dáár moet je heen, daar komt niemand’; Die plek moet je mijden, het is daar zó toeristisch’. Spanjaarden doen het precies andersom. Daar moet je heen’, zeggen ze tegen elkaar, iederéén gaat daar heen.’ Ze zien niet wat er leuk is aan een plek waar niemand komt. In hun vrije tijd zoeken ze elkaar allemaal op; in het park, op de picknickplekken in de bergen, in de kleine barretjes, in El Corte Inglès, het grote warenhuis, om verkoeling te zoeken. Thuis zijn de kamers van steen, de muren dun en alle ramen open, zodat iedereen de hele avond en nacht naar elkaar en elkaars televisie kan luisteren. Op straat leggen mensen, die ik nooit eerder heb ontmoet, zomaar hun hand op mijn arm of borst. Vrouwen, met wie ik voor het eerst kennismaak, zoenen me alsof we elkaar al jaren kennen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik van dat kleffe gedoe in Nederland ook niks moet hebben, maar hier ben ik er erg van gecharmeerd.
Wat zou Nederland drastisch veranderen als mensen elkaar ook daar durfden aan te kijken, elkaars aanwezigheid erkenden. De Spanjaard is gezellig van aard en even uithuizig door de helderheid van zijn hemel en de somberheid van zijn woning waarin hij de middaghitte ontvliedt, als wij huiselijk zijn door de grauwheid van ons zwerk en de vriendelijkheid van het haardvuur, dat ons in de koude troost’, schreef Marcellus Emants in 1886 in zijn twee jaar geleden opnieuw uitgebrachte reisverslag Schetsen uit Spanje.
Maar Nederland is in de afgelopen honderdvijfentwintig jaar een stuk warmer geworden en er zouden ook vast meer mensen uit hun huizen worden gelokt als de vaderlandse horeca het over een andere boeg gooide.
Waarom is de Spaanse horeca beter dan de Nederlandse? Om te beginnen draait het in Spanje niet om het nuttigen van grote hoeveelheden alcohol, maar om het genot van een goed glas met een lekker hapje, in gezelschap van andere mensen en het maakt helemaal niet zoveel uit wie. Tapasbars! En dan niet van die ballententen die in Nederland doorgaan voor tapasbars’, waar je voor vijf euro een paar kleffe gehaktballetjes in pikante saus of aan elkaar geplakte inktvisringen uit de diepvries krijgt.
Neen! Ik noem een zalig stukje kabeljauw met een sausje van wortel en gamba’s, of vijftien verrukkelijke slakken, of rode, zoete peper gevuld met kabeljauw. Een hele keur aan sublieme gerechtjes kun je in Sevilla eten voor 1,80 in bar El Eslava, wat mij betreft de beste tapasbar van de stad. De naam van mijn tweede favoriet ben ik helaas vergeten, maar hij bevindt zich in de calle San Jacinto in de drukke volkswijk Triana. Op weg naar mijn derde favoriet, La Blanca Paloma (calle San Jacinto 46) ziet u aan de linkerkant (als u vanuit het centrum de puente de Isabel II bent overgestoken) een onooglijke, cafétaria-achtige, fel door Tl-buizen verlichte cervecería waar je de lekkerste koude zeevruchten van heel Sevilla kunt eten. Gamba’s met een paar grove korrels zeezout erop, zeeslakken, krab, mosselen, om je vingers bij op te vreten.
Met een trouwe Frontaal Naaktlezer die in Sevilla woont, een hele charmante jongeman, heb ik trouwens een genoeglijke avond doorgebracht op het terras van Las Coloniales, ook uitstekende tapas.
Volgens Rik Zaal moet je helemaal niet in Triana zijn voor goede tapas, maar daar is niks van waar. Zijn Spanje-reisgids is één van mijn favoriete boeken aller tijden, ik ga nooit naar Spanje zonder dat boek, maar ik heb het inmiddels afgeleerd om zijn restaurant-tips op te volgen. Meestal moest ik dan teveel betalen voor eten dat ik zelf beter zou hebben bereid en er zijn weinig dingen die ik zo onplezierig vind als veel geld betalen voor middelmatig eten. In twee gevallen heb ik dankzij hem wel vreselijk lekker gegeten, namelijk in El horno san buenaventura, waar vooral de gegoede Spaanse burgerij komt maar waar je, ondanks dat de zaak pal naast de kathedraal staat, nauwelijks toeristen ziet (heerlijke gazpacho, smakelijke inktvisgehaktballetjes en een zalig koel klimaat) en bar Otano in Pamplona (calle San Nicolás 5 – de lekkerste tapas ooit), maar over het algemeen vind ik dat Zaal de ballen verstand heeft van goed eten en drinken. Of ik heb gewoon een radicaal andere smaak, dat kan natuurlijk ook.
Maar goed, dit stuk is alweer meer dan duizend woorden en ik wil nog iets zeggen over waarom de Spaanse horeca bijdraagt aan een betere maatschappij en voor de Nederlandse juist het tegenovergestelde geldt. Nu moet ik dat door mijn wijdlopigheid afraffelen.
De nadruk ligt in Spanje dus op gezelligheid en niet op dronken worden (op dronken zijn wordt neergekeken in Spanje en Italië, je ziet er ook zelden dronken mensen op straat, ook niet zaterdag s nachts). Daarnaast zijn de prijzen redelijk. Waarom moet ik in Nederland zo achterlijk veel meer betalen voor smerig vreten terwijl ik in Spanje voor een habbekrats eet als een koning? Ik denk dat de Nederlandse koopmansgeest (zoveel mogelijk geld uit andermans zak troggelen voor een zo belabberd mogelijke tegenprestatie) hier een rol speelt. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat de mensen in de Spaanse horeca plezier hebben in hun werk. Dat komt in Nederland ook nauwelijks voor (afgelopen maandagavond heb ik me nog geërgerd aan de ongeïnteresseerde botheid van zich noemende kelners en serveersters in het Haagse grand café’ (flikker toch op) Greve).
Maar ook: in Spanje neem je gewoon je kinderen mee naar het café, wat in Nederland absoluut not done is. Daardoor komen dus ook jonge ouders het huis uit. Dat maakt het allemaal een stuk gezelliger en gemoedelijker. Ik moet er wel bij zeggen dat Spaanse kinderen zich in het algemeen beter gedragen dan Nederlandse kinderen. In Spanje ben je geen vuile fascist als je je kinderen opvoedt.
Tenslotte nog even: het voetbalstadion van FC Sevilla staat pal naast een modern, overdekt winkelcentrum. Je kunt er zo vandaan het stadion inlopen. Na een wedstrijd gaat er nooit een glazen pui aan diggelen.
Het lijkt me een onweerlegbaar feit: Spanje is een veel beschaafder land dan Nederland. Ik weet wat u denkt: Je romantiseert dat land’. Nee, ik baseer me op een aantal harde feiten, die iedereen, die zijn ogen openhoudt, zelf ook kan vaststellen.
Peter Breedveld spreekt al een aardig mondje Spaans
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS