Bali (3)
Peter Breedveld

Gisteren heb ik mijn eerste naakte Balinese gezien. Ze was minstens 120, maar toch. Het was bij de Yeh Pulu-bron in het dorp Bedulu, midden tussen de rijstvelden. Er komen niet veel toeristen, hoewel het een bijzondere plek is, de meditatieplek van een veertiende-eeuwse vorst – dat meende althans onze taxi-chauffeur, die per se mee wilde omdat hij deze plek zelf ook nog nooit had gezien. Voordat hij binnenging, deed hij een gebedje. Op een rotswand zijn monumentale reliëfs te zien van prinsen, prinsessen en demonen en de natuur is er erg mooi.
Het naakte besje stond zich met andere vrouwen te wassen (de rest was aan het oog onttrokken door een muur) en ze had ons daar blijkbaar niet verwacht. Ze schrok, en begon toen hard te giechelen. Het grappige is dat ik pas in de gaten had dat ze naakt was toen Hassnae dat zei.
Naaktheid is op Bali lange tijd de gewoonste zaak van de wereld geweest. Nog op foto’s uit de jaren vijftig zie je de Balinese vrouwen met blote borsten lopen, op brommers rijden, hun waar verkopen. Dat zie je helaas niet meer. Ik zeg helaas, want zelfs met kleren aan is goed te zien wat een prachtige ranke lichamen de Balinezen hebben, jong en oud. In de ochtend zagen we een Barong-dansvoorstelling voor toeristen, een nogal boertige vertoning met veel platte, seksueel getinte grappen, en een intermezzo met twee dansende vrouwen trof me het meest. Ik heb nergens zo’n mooie ode gezien aan de sierlijke charme van het vrouwelijk lichaam.
Maar waarom de borsten tegenwoordig zo angstvallig bedekt blijven, ik heb geen idee. Het zal met de toeristen te maken hebben. Als er veel zijn die op al dat vrouwelijke schoon reageren zoals de Amerikaanse toerist eergisteren bij Hassnae deed (“Chickey! Chickey!”), kan ik me voorstellen dat ze zich niet meer zo vrij voelen zich in natuurlijke staat te vertonen. Ik las ergens dat mannen en kinderen zich nog wel helemaal naakt wassen in de rivieren, maar dat heb ik zelf nergens gezien.
Behalve Yeh Pulu hebben we de tempel van Goa Gajah (Olifantsgrot) gezien, zijn we naar de markt van Ubud geweest, waar we schilderijen, sarongs en snuisterijen hebben gekocht en saté en geitensoep (Goat Soup!) hebben gegeten en we zijn in het apenwoud geweest, waar een mooie ‘tempel van de dood’ staat en ook weer een heilige bron.
Op de weg naar en van Ubud zijn we door prachtige dorpjes gereden, mooier dan Ubud zelf, dat erg toeristisch is en vergeven van de zeer agressieve straatverkopers, en langs spectaculaire landschappen (rijstvelden). Ontelbare prachtige tempels hebben we gezien. ’s Avonds hebben we gerijsttafeld in Seminyak, waar we verblijven, in het restaurant Saté Bali. Absolute aanrader.
O ja, in één van de dorpen bij Ubud stond voor een kantoortje een groot bord: “We care about the street cats and dogs of Bali“. Ongetwijfeld een projectje van een Amerikaanse of Australische toerist, die de bedelende kleuters op de drukke autowegen niet heeft gezien, maar wel de honden en katten op straat – de meest relaxte en goed gevoede straathonden en -katten ooit – en er schande van sprak dat niemand zich het lot van die arme beesten aantrekt.

























RSS