De geschiedenis van mijn racisme (2)
Peter Breedveld

Illustratie: Phil Henderson
In de vorige aflevering zei ik dat op de middelbare school alleen een bijdehandte Indo vrienden met me wilde worden, maar dat is niet waar, herinner ik me nu. De Indo ontmoette ik pas in de tweede klas. In de eerste genoot ik de bescherming van de stoerste jongen van de klas – roomblank – en waarom, dat weet ik eigenlijk nog steeds niet.
We vormden een vreemd paar, en hij heeft me meer dan eens uit de problemen gered. Schoolplein-wise, bedoel ik. Want godver, ik hoefde maar ergens mijn gezicht te laten zien en één of andere kloothommel wilde me in elkaar slaan. Maar omdat mijn beschermheer ook bevriend was met de stoere jongens uit de hogere klassen, kwam er altijd iemand voor me op.
Waarmee ik maar wil zeggen: niet alle blanken zijn slecht! Alleen was onze relatie wel tricky, een beetje sadomasochistisch. Als mijn beschermheer het op zijn heupen kreeg, kon ik zomaar het mikpunt van zijn pesterijen worden, of zette hij andere jongens tegen me op. Die macht had hij, en die gebruikte hij ook bij tijd en wijle. Ik moest altijd op mijn hoede blijven.
Nou ja, en dat waren eigenlijk mijn ervaringen met zowat alle blanke kinderen, waarmee ik speelde. Dat kon weken goed gaan, en dan opeens keerden ze zich tegen me. Sloopten ze stiekem de hut, waar ik twee hele dagen aan had gewerkt. Of er kwam opeens een neef uit een andere stad bij, die een hekel aan me had dan had opeens iedereen een hekel aan me. Altijd ontpopte iemand zich wel als machtspoliticus, en dat ging altijd ten koste van bepaalde individuen in de groep. Meestal ten koste van mij.
Op school wist ik dat de donkere leerling in de klas mijn enige hoop op redding was. Dat was mijn verwachtingspatroon en dat klopte altijd. Misschien kwam het door het feit dat we allebei buitenstaanders waren, hij de zwarte en ik de sukkel.
Ik moet er ook bij zeggen dat mijn ouders me naar de Mavo hadden gestuurd, ondanks mijn hoge cijfers. Mijn vader vond de Havo te hoog gegrepen, zei hij. Van VWO had-ie geloof ik nog nooit gehoord. En ik kan u zeggen: alles wat ze over de Mavo zeggen, is waar. Hier regeert de redeloze, agressieve meute die alles haat dat afwijkt. Domheid wordt hier gecultiveerd. Zo was dat althans in mijn tijd. Wie een nul haalde voor zijn repetitie, ging dat heel trots op het schoolplein lopen declameren.
Ik vond het er verschrikkelijk. Alleen de meisjes waren leuk. Sommige. Elke dag, die God gaf, werd er op me ingebeukt, werd ik afgezeken, uitgelachen. Met een beetje pech deed de leraar nog mee, ook. Al had ik de meeste leraren wel aan mijn kant. Wat natuurlijk niet echt hielp, schoolplein-wise.
Maar goed, ik heb er wel een enorme eeltlaag door op mijn ziel gekregen. Op zeker moment trok ik me niks meer aan van de reacties op wat ik zei en deed, afgekeurd werd het toch wel. Ik werd uitgescholden voor ‘homo’, dus ging ik roze T-shirts dragen. Daar kreeg ik commentaar op, dus kocht ik een witte broek met grote, rode, Japanse zonnen erop.
Eén van de bullebakken op school was een stotteraar, en ik daagde hem elke pauze uit door voor hem te gaan staan en zijn naam hardop te stotteren. Elke pauze kreeg ik klappen, elke volgende pauze deed ik het weer. Gewoon om te laten zien dat ik schijt aan ze had. En harder dan mijn mijn vader sloegen ze toch niet.
In de tweede klas raakte ik bevriend met de bijdehandte Indo – ik noem overigens geen namen uit respect voor de privacy van alle betrokken. Hij was één van de populairste jongens van de klas, een zittenblijver. Zijn algemene ontwikkeling was enorm en hij speelde basgitaar. Iedereen overblufte hij, inclusief de leraren.
Ik weet niet waarom hij mij als vriend koos, maar hij deed het. Samen werden we een soort Jake & Elmo, alom gevreesd vanwege onze scherpe tong. De rollen waren omgedraaid. Ik werd niet meer gepest door de hele klas, ik pestte de hele klas. En als een leraar zich ermee bemoeide, pakte ik hem er nog bij, ook.
Ik voel nog het schaamrood naar mijn wangen stijgen als ik bedenk hoe ongenadig hard mijn wraak soms was, ook zonder enig aanziens des persoons. Ik haatte mijn klasgenoten, voelde niets dan minachting voor ze. Als we mensen aan het huilen hadden gemaakt, en de halve school zich tegen ons keerde, gaf ons dat veel voldoening. Dat was echt een geslaagde dag voor ons.
En het hielp. Net als op de lagere school was ik ook hier één van de populairste figuren toen het eindexamen naderde. Mensen wisten beter dan ruzie met me te zoeken. We hadden ze getemd.
Mijn Indische vriend was dan populair, ze noemden ‘m wel ‘dikke Chinees’, alleen nooit in zijn gezicht, al wist hij natuurlijk wat er achter zijn rug over ‘m werd gezegd. Hij buitte zijn allochtoonsheid uit, gebruikte het racisme van zijn klasgenoten – en van de leraren – tegen hen.
Openlijk racisme was taboe, maar dat betekende niet dat racisme uit het publieke domein was verbannen. Er werd alleen heel krampachtig mee omgegaan. Iedereen was tegen Janmaat en zijn Centrumpartij, maar ergerde zich er wel aan dat die “zwarten altijd bij elkaar klitten” en dat Molukkers al hun geld uitgaven aan dure Raybans en opzichtige kleren, maar altijd met z’n tienen in een heel klein huisje woonden. En ze hadden van die schattige kinderen – “Maar o wee als ze later groot zijn!” En elke Turk was een messentrekker, dat wist iedereen.
Mijn vriend speelde daar mee. Liepen we door de schoolgangen, riep hij heel hard “Hé! Zwarte!” naar een kennis die we passeerden. Waarna een leraar, die vlak voor ons liep, zich met een ruk omdraaide, klaar om de vieze racist achter hem eens flink de oren te wassen. De verwarring op zijn gezicht, zodra hij zag dat mijn vriend de dader was. Kostelijk.
De meeste mensen hadden geen idee wat zijn achtergrond was. Die hem een ‘Chinees’ noemden, hadden tenminste nog door dat hij iets Aziatisch was, maar er waren er ook die dachten dat hij een Surinamer was, of in elk geval een gastarbeider.
Hij lag er niet wakker van, maar het ergerde hem wel dat weinig mensen enig benul hadden van de koloniale geschiedenis van hun land, en ik wil wel bekennen dat zijn moeder de eerste was van wie ik hoorde over Indo-Europeanen, die afstamden van inlandse meisjes in Nederlands Indië, die zwanger waren gemaakt door de koloniale machthebbers. Een beetje zoals Dreverhaven Jacoba Katadreuffe bezwangerde – althans, zo stelde ik me dat voor.
Dat was hoe ze het vertelde, en waardoor ik me bij Indo’s altijd een verweesd volk voorstelde, waarop werd neergekeken in Indonesië vanwege zijn Nederlandse bloed, en in Nederland om zijn donkere huid.
Op school had ik geleerd over het racisme van andere landen. Over de onderdrukking van de Indiërs door de Britten, de bijna-genocide van de Amerikaanse Indianen, ik had foto’s gezien van Congolezen met afgehakte handen, een gewoonte van die verschrikkelijke Belgen, ik wist van de afschuwelijke behandeling van de Aboriginals door de Australiërs.
Maar de Zuid-Afrikaanse boeren zag ik als lotgenoten van de zwarten in dat land, beide slachtoffer van het wrede Britse imperium, en bij Suriname en Nederlands-Indië (dat ik kende van De Kris Pusaka) had ik altijd het beeld van een soort gezellige tropische markt waar vrouwen in sarongs lekkere hapjes maakten en aardige, Nederlandse christenen schattige, zwarte kinderen inentten tegen malaria en tuberculose.
Man, wat was ik geschokt toen ik in de boeken van Jan Wolkers las dat Nederland een bloedige, koloniale oorlog had gevoerd in Nederlands-Indië, vlak nadat het land zelf was bevrijd van de Nazi’s. Dat de VN zelfs had verklaard dat wat Nederland in Indië uitvrat, ‘even worse than what Hitler did to the Netherlands in 1940’ was.
Ik begreep dat niet. Hoe kon een land dat zo dapper had gevochten tegen de Nazi’s, en dat zoveel joden had gered van de Holocaust, zo beestachtig tekeergaan tegen de Indonesiërs?
Dit is het tweede deel van een 356-delig feuilleton over mijn ervaringen met racisme (eerste deel hier). Politiekcorrect als de neten en uiteraard met een heldenrol voor mijzelf, waarbij ik af en toe wel een paar pekelzonden zal opbiechten, om het geheel een beetje geloofwaardig te houden. Geïnspireerd door dit ontroerende verhaal van Gin Mooy, die weer werd geïnspireerd door het onthutsende relaas van Hassnae.






RSS