Frontaal
Naakt
29 januari 2010

De Onzichtbare Kunst

Peter Breedveld

Hetzelfde gevoel van ergernis had ik bij het lezen van Scott McClouds De Onzichtbare Kunst, de Nederlandse vertaling van Understanding Comics, dat begin jaren negentig voor veel opschudding zorgde in de internationale stripwereld. Het leverde McCloud zelfs de eretitel ‘Aristoteles van de strip’ op.

In De Onzichtbare Kunst wordt het medium strip door McCloud in stripvorm geanalyseerd. Het is een soort lexicon/grammatica van het stripverhaal. Indertijd heb ik het boek geërgerd naast me neergelegd, vanwege de vele open deuren die er werden ingetrapt (‘Strips zijn er in vele stijlen’ en ‘Sommige striptekenaars leggen de nadruk op inhoud, andere op de vorm’) maar vooral vanwege het ridicule geneuzel over bijvoorbeeld wat er in de ruimte tussen de afzonderlijke stripplaatjes gebeurt.

Serieus, meneer McCloud heeft er kennelijk niet genoeg aan allerlei onzin te beweren over wat er allemaal ín de plaatjes gebeurt, dus begint hij een hele verhandeling over de wondere wereld ertússen. ‘Closure’ noemt hij wat zich daar afspeelt. Als je bijvoorbeeld in een plaatje iemand belaagd ziet worden met een man met een bijl, en het volgende plaatje alleen een stadsgezicht biedt en een exclamatie in grote letters: IEIAA!!, dan is er tussen die twee plaatjes blijkbaar iemands schedel gekliefd. In werkelijkheid niet tussen die plaatjes, natuurlijk, maar in de verbeelding van de lezer.

De Vlaamse vertaler van Understanding Comics schrijft in een voetnoot in het begin van het boek al geen adequate vertaling voor ‘closure’ te weten en houdt het daarom maar op het onvertaalde, Engelse woord. Maar het door McCloud beschreven truukje, dat vast al zo oud is als de kunst van het verhalen vertellen, in elk geval een beproefd middel in het theater – goochelaars grossieren erin -, en geperfectioneerd door filmmakers als Alfred Hitchcock, heet in het Nederlands gewoon ‘suggestie’. Kent u de film Reservoir Dogs van Quentin Tarantino? Ik schat dat twee van de drie mensen die deze film hebben gezien, beweren dat daarin een gruwelijke scène zit waarin Michael Madsens personage het oor van een politieman afsnijdt. Maar die scène bestaat niet, het is allemaal suggestie. Het gebeurt tussen twee frames in, zou McCloud zeggen.

Dat hele gedoe rond ‘closure’ is typisch voor wat McCloud in De Onzichtbare Kunst doet. Hij zit zijn lezers gewoon knollen voor citroenen te verkopen en wat nog veel erger is, die lezers slikken het allemaal voor zoete koek.

Waarom doen ze dat? Stripliefhebbers, daarvan ben ik overtuigd, hebben bijna allemaal een minderwaardigheidscomplex. Ze schamen zich voor hun liefhebberij, omdat niemand hun geliefde medium serieus neemt. Daarom zie je nog steeds dat veel beschouwelijke artikelen over strips in serieuze kranten en bladen worden ingeleid met de mededeling dat strip allang niet meer tot het domein van de kinderlectuur hoort, maar dat het medium volwassen is geworden, en op een volwassen manier volwassen thema’s behandelt. Wie dat schrijft, is er blijkbaar zelf niet helemaal van overtuigd dat strips lezen niks is om je voor te schamen. Die heeft iemand nodig als Scott McCloud, die een pseudowetenschappelijk rookgordijn van sociologische en kunsthistorische leenfrasen rond de strip optrekt.

Laten we eens kijken hoe wetenschappelijk McClouds aanpak werkelijk is. In het hoofdstuk over ‘closure’ onderscheidt hij vijf soorten overgangen van plaatje naar plaatje in strips. Bijvoorbeeld de overgang van het ene moment naar het volgende en de overgang van de ene plaats van handeling naar de volgende. McCloud heeft in acht Amerikaanse strips, acht Europese strips en zeven Japanse strips geturfd welke soorten van overgangen het meest voorkomen, dat weergegeven in staafdiagrammen om vervolgens te concluderen dat er een enorme ‘kloof’ gaapt tussen de oosterse en de westerse manier van strips maken.

Maar als je nagaat wat een immense hoeveelheid strips er in de afgelopen honderd jaar er moet zijn geproduceerd – ik durf niet eens te schatten – in zowel Amerika, Europa als Japan, wordt meteen duidelijk hoe weinig representatief McClouds steekproef is. En dan zwijgen we nog maar over het feit dat Japan in McClouds universum blijkbaar het hele ‘oosten’ vertegenwoordigt, en dat de zin van die staafdiagrammen niet helemaal duidelijk is, behalve dan dat ze De Onzichtbare Kunst een air van gedegen wetenschappelijk onderzoek moeten geven.

Fragment uit het mini-essay ‘Geen alibi voor Donald Duck’, deze week te lezen in Vrij Nederland


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home