Factcheck: etnisch taboe
Johan van der Knijff

Weinig lezers van deze site zal de ophef over twee recente stukken van Joost Niemöller over het etnische taboe zijn ontgaan.
Kort na publicatie van het eerste stuk barstte op Twitter een bescheiden storm van verontwaardiging los, en Miko Flohr schreef voor The Post Online een reactie waarin hij zich afvraagt waarom website de Dagelijkse Standaard een podium biedt aan uitdragers van ideeën die tegen de klassieke rassenleer aanhangen.
Peter Breedveld merkte eerder al opdat Flohrs reactie vooral lijkt ingegeven door morele verontwaardiging, en wat mij betreft is die verontwaardiging ook volkomen terecht. Maar Niemöller claimt herhaaldelijk dat zijn betoog wordt ondersteund door wetenschappelijk onderzoek. Tijd voor een fact-check!
Etnisch taboe
Niemöllers betoog in een notendop: mensen verschillen van elkaar, en sommige van die verschillen zijn gekoppeld aan etnische groepen. Hij stelt dat we het bestaan van zulke verschillen tegenwoordig niet meer accepteren. Zo blijven volgens hem ‘negers (…) beter in sport en muziek en seks, ook al vinden we dat eigenlijk racistisch‘ (hij schrijft het echt!), en ‘als allochtonen meer stelen, verkrachten, slechtere schoolcijfers halen, vaker werkloos zijn en meer overvallen plegen, dan lossen we dat op door het woord ‘allochtoon’ op te heffen‘.
Dit heeft volgens hem geleid tot een etnisch taboe, met als gevolg een maatschappij ‘die extreem gespitst raakt op etnische verschillen, puur omdat hen [sic] de waarheid onthouden wordt‘.
In een vervolgstuk stelt hij dat:
- etnische verschillen genetisch zijn bepaald, en
- dat deze verschillen voor een groot deel ons gedrag sturen.
In de rest van deze fact-check beperk ik me tot deze twee stellingen: waarop zijn ze gebaseerd, en in hoeverre worden ze ondersteund door de door Niemöller aangedragen ‘feiten‘?
Wat zijn etnische groepen?
Om te beginnen heeft Niemöller het over etnische groepen, maar hij vermeldt niet wat hij hier precies onder verstaat. Hiervoor moeten we naar zijn reactie op het stuk van Miko Flohr, waarin hij aangeeft dat hij ‘genetisch samenhangende gehelen‘ bedoelt. Maar waar haalt hij dit eigenlijk vandaan? Ik heb er maar eens een paar gangbare definities op nageslagen (bijvoorbeeld hier, hier en hier), en in alle gevallen benadrukken die vooral sociaal-culturele aspecten. In sommige definities is afkomst ook een factor, maar het is zeker niet de belangrijkste. Verder is de precieze invulling van het begrip etniciteit hoedanook niet echt duidelijk gedefinieerd. Zie bijvoorbeeld het volgende citaat uit een Nature artikel van een paar jaar terug:
‘First, it is essential to point out that ‘race’ and ‘ethnicity’ are terms without generally agreed-upon definitions. Both terms carry complex connotations that reflect culture, history, socioeconomics and political status, as well as a variably important connection to ancestral geographic origins.‘
En wie zegt dit allemaal? Nou, de voormalige directeur van het National Human Genome Research Institute. Maar Niemöller weet het natuurlijk allemaal beter, die bepaalt gewoon zèlf wel even hoe het zit, en zuigt daarbij zonder enige onderbouwing die definitie uit z’n duim die hem het beste uitkomt.
Vervolgens de genetische component. Hierbij komt Niemöller eerst met de karikatuur aanzetten van “racisme gillers” die de “feiten” niet willen kennen waaruit zou blijken ‘dat het de genen zijn die ons maken en breken‘. Van dit laatste zijn volgens hem ‘honderdduizenden‘ voorbeelden te vinden uit genetisch en IQ-onderzoek. In zijn stuk noemt hij er twee:
Genetische basis van intelligentie
Als eerste voorbeeld haalt hij een Chinees onderzoek aan dat probeert intelligentie te koppelen aan genetische eigenschappen. Maar dit gaat om nog lopend onderzoek, waarvan de resultaten nog helemaal niet zijn gepubliceerd! Het ondersteunt Niemöllers betoog dus op geen enkele manier. Daarnaast lijkt “intelligentie” in dit onderzoek gereduceerd te zijn tot IQ, en zoals Matthijs Krul op deze site al eens uitlegde kleven hier talloze bezwaren aan.
Strijders-gen
Als tweede voorbeeld noemt hij de ontdekking van een strijders-gen. Het gaat hierbij om het MAO-A gen, waarvan een bepaalde mutatie op basis van een aantal wetenschappelijke studies is geassocieerd met agressie en asociaal gedrag. De mutatie zou ook in hoge mate voorkomen bij Amerikaanse jongens die deel uitmaken van jeugdbendes. Uit ander onderzoek is bekend dat de mutatie relatief vaker voorkomt bij mensen met een (o.a.) Chinese of Afrikaanse afkomst, en minder vaak bij Kaukasiërs en mensen afkomstig van het Iberisch schiereiland. Voor Niemöller reden om te concluderen:
‘Het directe agressieve gedrag, bij wetenschappers ook wel de ‘in your face attitude’ genoemd, die onder zwarten vaker voorkomt, blijkt een relatie te hebben met etniciteit.‘
Jammer voor Niemöller is dat de wetenschappelijke onderbouwing van de strijders-gen theorie nogal wat zwakke plekken vertoont. Een goed overzicht gevendeze twee artikelen van wetenschapsschrijver John Horgan op het blog van Scientific American. Ik licht er drie punten uit.
Asociaal gedrag
Om te beginnen is er een vaak aangehaalde studie uit 2002, waarin een verband wordt aangetoond tussen de mutatie (het strijders-gen) en asociaal gedrag . Belangrijk is, dat het hier alleen gaat om mensen die als kind waren mishandeld. De studie laat dus niet zien dat de genmutatie direct het gedrag bepaalt, maar toont op zijn best aan dat de mutatie van invloed is op de gevoeligheid voor omgevingsfactoren. Maar zelfs dit is niet zeker: twee vergelijkbare studies lieten juist helemaal géén verband zien tussen het strijders-gen en asociaal gedrag.
Niemöller haalt zelf twee stukjes van de Science Daily website aan. Het eerste gaat over een studie waarin deelnemers op de computer een taak uitvoeren waarmee ze geld kunnen verdienen. Hen wordt verteld dat een anonieme partner (in werkelijkheid een computer) een deel van het verdiende geld kan afpakken. Deelnemers kunnen hun partner hiervoor straffen door hem een hete (pikante) saus toe te dienen. Uit de resultaten blijkt, dat deelnemers met het strijders-gen iets vaker hete saus toedienden dan degenen die de mutatie niet hebben, maar de verschillen waren marginaal (resp. 75 en 62 procent). Dit ging alleen op voor grotere bedragen – bij kleine bedragen waren er helemaal geen verschillen! Verder kun je je natuurlijk afvragen in hoeverre het toedienen van hete saus nu echt maatgevend is voor agressie, maar dit terzijde.
Het tweede Science Daily stuk bespreekt een studie die laat zien dat Amerikaanse jongens met de mutatie vaker deel uitmaken van jeugdbendes. Binnen de populatie mannelijke bendeleden die gebruikmaken van wapens, bleken de dragers van de mutatie ook oververtegenwoordigd. Een blik op de onderliggende data laat echter zien dat maar 7,5 procent van de jongens met de mutatie deel uitmaakte van een jeugdbende (tegenover 3,5 procent van de jongens zonder de mutatie) –de overgrote meerderheid was dus géén bendelid. Verder had 39 procent van de bendeleden nièt de mutatie. Op zijn best toont deze studie dus een beperkt effect aan.
Samenvatting
Laat ik het nog eens samenvatten: Niemöller beschouwt eerst “etnische groepen” als ‘genetisch samenhangende delen‘, waarmee hij alle gangbare definities in de wind slaat. Vervolgens beweert hij dat etnische verschillen genetisch bepaald zijn (zoek de cirkelredenering!), en voor een ‘groot deel‘ ons gedrag sturen. En wat verstaat Niemöller onder een groot deel? Nou, ‘95 procent‘ lijkt hem ‘redelijk‘, ‘maar misschien is het wel 100 procent‘, schrijft hij hier. Ten slotte claimt hij dat dat zijn betoog wordt ondersteund door “honderdduizenden” voorbeelden uit genetisch en IQ-onderzoek. Maar van de twee voorbeelden die hij aanhaalt, toont het eerste helemaal niets aan, terwijl het tweede op zijn best een zwak verband laat zien tussen een genmutatie en gedrag (waarbij omgevingsfactoren uiteindelijk van doorslaggevend belang lijken te zijn).
Geraaskal
Nu zou dit deerniswekkende broddelwerk nog bijna om te lachen zijn, ware het niet dat Niemöller door velen als een serieus journalist wordt beschouwd: hij treedt op als commentator bij de NCRV en de NTR, en publiceert regelmatig opiniestukken in de Volkskrant. Volkskrantredacteur Chris Rutenfrans noemde Niemöller’s stuk zelfs tot twee keer toe ‘schitterend‘. Niemöller en zijn ideeën zijn blijkbaar mainstream!
Matthijs Krul sloeg eerder op deze site al eens de spijker op de kop door Niemöllers genetische theorieën te karakteriseren als ‘een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie‘. Het ongefundeerde geraaskal over hetetnische taboe bevestigt dit nog eens.
Niemöller stelt zelf dat de maatschappij extreem gespitst raakt op etnische verschillen, puur omdat haar de waarheid onthouden wordt. Hier lijkt mij een verantwoordelijkheid te liggen voor al diegenen die Niemöller nu een platform bieden om zijn stupide waanideeën salonfähig te maken. Om zijn eigen woorden te gebruiken: ‘het kan domweg niet ontkend worden. Het is traceerbaar voor iedereen.‘
Volg Johan van der Knijff op Twitter.






RSS