Hanoi
Peter Breedveld

Illustratie: Nguyen Bich Ngoc
‘Nothing can prepare you for the beauty of Halong Bay’, ‘de meest betoverende plek van Vietnam’. Volgens de overlevering is Halong Baai ontstaan nadat draken uit de hemel neerdaalden en smaragden en robijnen in zee uitspuwden. Ik bedoel, blijkbaar kan niemand het over de baai hebben zonder in hyperbolische lyriek te vervallen.
En Halong Baai ís een mooie plek, een labyrinth van met weelderig groen bedekte rotsen, die zich lijken te openen voor de naderende boten, om zo hun innerlijke paradijselijkheid prijs te geven. Bergarenden cirkelen boven je hoofd terwijl een verkoelende bries de verlichting brengt waarnaar je na twee dagen en nachten hebt zitten snakken in de bloedhete sauna die Hanoi is. Zie? Nu doe ik het zelf, lyrisch worden.
Maar je moet voor Halong Baai vanuit Hanoi wel meer dan drie uur in de auto zitten en dat is eigenlijk met alles zo in dit land. Voor die speciale tempel moet je twee uur reizen en daarna anderhalf uur klimmen, voor dat pittoreske dorpje moet je een halve dag reizen overhebben en die schitterende baai vergt ook weer uren reizen door troosteloze landschappen, langs vervallen fabrieken en armoedige gehuchten waar iedereen gehurkt voor een soort garage zit van waaruit levensmiddelen of scooteronderdelen worden verkocht.
Ik moet eerlijk zeggen dat Vietnam me een beetje tegenvalt. We zijn inmiddels in aardig wat Aziatische landen geweest waar adembenemende landschappen, ontzagwekkende tempels en bruisende steden hebben gezien. Afgaande op wat er over Vietnam gezegd en geschreven wordt, verwachtte ik hier een soort apotheose: de ultieme tempels, zinderende sprookjesdecors, de stad der Oriëntaalse steden, maar in plaats daarvan troffen we vooral morsige troosteloosheid.
De pagodes en tempels die door de reisgidsen in hysterische loftuitingen worden aangeprezen, doen in werkelijkheid denken aan de Chinees-Indische restaurants in Nederlandse plattelandsdorpen. De musea zijn Oost-Europees deprimerend en het landschap is voor het meerendeel vlak en saai. In de steden is het een gore bende.
Wie het ultieme Azië wil beleven, de rijstvelden die in terrassen tegen berghellingen zijn aangelegd, de kleurrijke tempels, de pittoreske dorpjes, het weelderige groen, die is op Bali het beste af. Daar liggen alle betoveringen op steenworpafstand van elkaar. Je loopt daar zo vanuit het levendige stadscentrum de jungle in, of de rijstvelden op.
Vietnam is een verbleekte ansichtkaart uit de jaren zeventig. Niet dat we het hier niet ontzettend naar onze zin hebben gehad. Om te beginnen zijn Vietnamezen charmant en geestig. Je kunt echt met ze lachen. En de Vietnamese keuken is spectaculair – wat mij betreft smakelijker dan bijvoorbeeld de Thaise. Vietnamezen weten als geen ander smaken en aroma’s te combineren.
En er is hier altijd iets geks te zien. Tijdens onze reis naar Halong Baai vielen we van de ene verbazing in de andere. Zo lag er midden op de autoweg een koe te slapen, en even later zagen we een vent met een levende koe achterop zijn brommertje. We zagen een eendenhoedster met een enorme kudde eenden – of hoe dat dan ook heet bij eenden, en onder een viaduct zagen we een gezin in een compleet huiskamerinterieur, inclusief televisie, die ook aanstond en gewoon ontvangst had.
Dat zagen we allemaal en nog veel meer. Ondertussen lulde onze gids ons de oren van de kop. Hij had het vooral over zichzelf. Long heette hij en hij praatte in de derde persoon over zichzelf: “Long is blij als de toeristen blij zijn want zo is Longs karakter: altijd is Long dienstbaar en enthousiast en Long weet dat hij geen perfect mens is, want als boeddhist accepteert Long zijn beperkingen, maar Long doet altijd zijn best voor anderen.”
Long grijnsde steeds al zijn tanden bloot, maar zijn gezicht bevroor zodra hij over een bepaald onderwerp was uitgesproken. In een grot, die we in Halong Baai bezochten, wees hij ons steeds op stalactieten en stalagmieten: “Kijk, die lijkt op een babyleeuw, en daar ginds is zijn moeder!” “Die lijkt op een schildpad!” ”Daar is de Godin van de Genade”. Ik werd er een beetje recalcitrant van: “Nou Long, Peter vindt die meer op een fallus lijken.”
Op de boot analyseerde Long onze persoonlijkheden: “Peter kan behoorlijk moeilijk zijn, maar hij laat ook heel erg zijn waardering blijken als hij tevreden is.” Dat vond ik best knap gezien van Long. Toen we bijna terug in Hanoi waren, wilde Long ons, voordat de chauffeur ons zou afzetten bij het hotel, nog even zijn favoriete restaurantjes en bezienswaardigheden laten zien. “Want zo is Long, altijd bereid om wat extra’s te doen voor zijn cliënten.” Dat werd me te gortig. “Het is een lange dag geweest, Long, dus wat dacht je ervan om linea recta naar het hotel te gaan?”
Geen zorgen, we hebben hem een dikke fooi gegeven.
Ik wil nog even vertellen over de spreeuwensalade, die ik gisteren heb gegeten. Het was in Quan An Ngon, een volks en dus ontzettend gezellig restaurant. Ik wilde wat gekke dingen proberen en koos behalve de spreeuwensalade ook noedelsoep met slakken en banaan. De spreeuwen lagen in hun geheel op die salade en daar schrok ik toch wel van. Kleine babyvogeltjes die ik volgens de serveerster in één keer in mijn mond moest stoppen. De botten kraakten krokant tussen mijn kiezen, maar het schedeltje kreeg ik niet doorgebeten, dat heb ik maar weer uit mijn mond gehaald.
Het was niet eens erg lekker. Een beetje bitter, waarschijnlijk vanwege de ingewanden. Weggespoeld met het onvolprezen Bia Hoi Hanoi


















RSS