Istanbul (3)
Peter Breedveld

Illustratie: Nikolai Fomin
Over Istanbul lees ik altijd dat die stad in tweeën is verdeeld, met aan de ene kant van de Bosporus het Aziatische deel en aan de andere het Europese. Ik zou zelf een onderscheid maken tussen de stoffige armetierigheid aan de ene kant en de protserige welvaart aan de andere. Turkse Wibra’s aan de ene en Tiffany en Chanel aan de andere kant. Zwaar gesluierde, stuurs kijkende vrouwen achter logge kinderwagens aan de ene en schaars geklede, hedonistische singles aan de andere kant. Zwoegende mannen met lasten zo groot als Fiat Panda’s op hun rug aan de ene, verwende pasha’s in Armanipakken aan de andere kant. Allah aan de ene en Mammon aan de andere kant.
Helaas, ik kan niet zeggen dat de magie van Istanbul, door de vele, vele toeristen, die mij voorgingen, zo lyrisch bezongen, mij iets heeft gedaan. Toen we de stad ’s nachts per taxi binnenreden, werden we getroffen door de schoonheid ervan en Istanbul hééft ook talloze adembenemende gezichten, maar op de één of andere manier bleef er weinig van over als we arriveerden op de plek die er van ver zo aantrekkelijk uitzag. We hebben de meeste belangrijke bezienswaardigheden bezocht – de Aya Sofia, die er op foto’s zo spectaculair uitziet, het Topkapi-paleis, de Blauwe Moskee, enzovoort, en het viel allemaal wat tegen. Meestal lukt het me wel om door de drommen toeristen (ja, ik weet dat ik daar zelf deel uitmaak – bespaar me uw gratuite jijbak) de schoonheid van een plek te zien, hier niet.
In de Blauwe Moskee waren de toeristen juist de grootste bezienswaardigheid, met hun ongewassen, stinkende voeten en hun theatrale vertoon van ‘respect’. In Istanbul zie je westerse toeristen met hoofddoeken lopen – waarbij ze dan een passend, vroom smoelwerk trekken – waar de Turkse vrouwen gewoon blootshoofds lopen.
De Aya Sofia vind ik vooral groot en slecht onderhouden, en hier en daar zelfs ronduit lelijk; het Topkapipaleis is vooral protserig. Alleen het museumgedeelte waar ze de tand, wat baardharen en een voetafdruk van de profeet Mohammed bewaren, was mijn toegangsprijs van 20 lire dubbel en dwars waard. Jawel, u leest het goed, de tand en de baardharen van de grondlegger van de islam. Die tand zit in een gesloten doosje, dus daar moeten we maar op vertrouwen. De baardharen hebben ze in een glazen cilinder gedaan.
En dat niet alleen, wat dacht u van de staf van Mozes, het zwaard van Koning David, de hele friggin’ arm van Johannes de Doper en de sauspan – de sauspan, lieve mensen – van de stamvader van alle Joden en Arabieren, Abraham. Ik heb er weinig over gelezen in de bijbel, iedere keer als Abraham gasten kreeg, gaf hij zijn vrouw opdracht allerlei lekkernijen te bereiden, maar Abraham schijnt dus een toegewijd amateurchef te zijn geweest, die constant allerlei nieuwigheden probeerde in zijn sauspan – nu dan te bezichtigen in het Topkapi-paleis. Dat zet het offeren van zijn lievelingszoon Isaak toch in een heel ander licht.
Honderden moslims staan zich te verdringen voor de vitrines waarin al dat moois staat tentoongesteld. Ze geloven werkelijk dat de frisgewassen tulband, die ze daar zien, 1600 jaar voor Christus door ik ben vergeten welke profeet is gedragen. Het klokhuis van de appel, waarmee Adam en Eva het lot van de gehele mensheid bezegelden, ontbrak er nog maar aan – of de drieduizend of zo voorhuiden die David cadeau deed aan welke koning was het toch ook weer.
Dat was mooi, en de Basilica Cisterne, een ondergrondse wateropslagplaats uit de zesde eeuw, is ook geweldig. Ik ben een sucker voor ondergrondse ruimtes, vooral als er water is.
We hebben een aantal prachtige lampen gekocht op de grote bazaar – naar mijn smaak ook een tikje te hysterisch aangeprezen – waarbij ik keihard heb onderhandeld. Ik heb de prijs omlaag gekregen van 2000 naar 500 lire. Niet slecht, al zeg ik het zelf (nu sneert een bijdehandte betweter dat die lampenhandelaar zich nog steeds rotlacht, want die lampen waren maar 25 lire waard, toch?). Hassnae heeft 3756 keer te horen gekregen dat “joe lok Torkiesj” en ze werd gewoon niet geloofd als ze zei dat ze niet Turks is. Ik heb 1968 keer een aantrekkelijk aanbod voor een handgeknoopt tapijt afgeslagen. “But aai wiel giev joe uh goet praais!” – “I’m sure you will, but I still don’t want a carpet.” Ik heb 4539 adviezen gekregen van volslagen vreemden die desalniettemin precies wisten wat mijn vrouw wil.
Turken maken een paar lekkere wijnen, vooral met de Chardonnay-druif doen ze mooie dingen. Ik kreeg een paar keer een Sarafin Chardonnay geschonken die hints had van mijn favoriete witte wijn, de Franse Meursault, die zo duur is, dat ik die alleen bij speciale gelegenheden drink.
Istanbul is op culinair gebied geen hoogvlieger. Er zijn wat dure restaurants waarvan we er één hebben geprobeerd, Mikla, op het dak van het Marmara Pera-hotel. Intelligente gerechten, maar ergens miste dit eten een ziel – en het is in elk geval veel te duur. We hebben twee keer heerlijk gegeten voor een redelijke prijs in de tuin van Asitane, dat middenin een volksbuurt staat, naast een middeleeuws kerkje dat we helaas niet van binnen hebben gezien omdat het gesloten was. De gerechten zijn gebaseerd op eeuwenoude Ottomaanse recepten en smaakten goddelijk. De bediening is charmant en vriendelijk, de gérant – met het uiterlijk van een Bollywoodster – is de perfecte gastheer. Een virtuoze oud-speler – alleen ’s avonds – maakt het helemaal af.
Het Europese gedeelte van Istanbul is op het eerste gezicht hip en snel. Hier flaneren de welgestelde jongeren. Maar alles is een zielloze imitatie van westerse steden. De hippe café’s met de volle boekenkasten, de luxe winkelcentra met de dure merken. We kwamen langs een vestiging van de kinky lingerieketen Agent Provocateur. Ik dacht: “Wauw! Agent Provocateur! In een islamitisch land!” In Londen stap je dan een andere, surreële wereld binnen, waar uitzinnig uitgedoste rock ‘n’ roll-verpleegsters met een opgetrokken wenkbrauw roepen dat die borsten toch echt niet in een B-cup passen. Hier stond een schuchtere jongedame wat onwennig in haar verpleegstersjurkje, half verscholen achter een pilaar – die hele Agent Provocateur-freakshow sloeg hier hartstikke dood.
Istanbul dóet erg hip, maar is het niet echt. Ik miste de overtuiging, de energie, die andere metropolen, die ik bezocht, zo opwindend maakt. In het Europese gedeelte lijkt de Turkse eigenheid helemaal te hebben plaatsgemaakt voor dat hippe materialisme, dat maar niet echt uit de verf wil komen.
We hebben ons prima vermaakt in Istanbul, maar als ik heel eerlijk ben, vind ik de stad een beetje saai, en erg provinciaal. Het was gewoon niet wat ik verwachtte.
Voor een verslag van mijn éénmansoffensief tegen de corrupte taxichauffeurs van Istanbul zie hier en hier.





RSS