Frontaal
Naakt
20 februari 2015

‘Maar’ is geen verraad

Marcel Hulspas

jap14

Salman Rushdie houdt niet van ‘maar’. Hij staat pal voor de vrijheid van meningsuiting en weigert ook maar enig ‘maar…’ te horen. Wie ‘maar…’ zegt, hoort wat hem betreft tot de verwerpelijke ‘Maar-brigade’ (The But-Brigade), het leger van bangerikken dat zichzelf censureert. Tijdens een lezing op de Universiteit van Vermont zei hij: ‘Zo gauw iemand zegt: ik geloof in de vrijheid van meningsuiting maar… luister ik niet meer.’

Tegenwerpingen, kritiek: we luisteren er liever niet naar. Rushdie is daar al mee begonnen. En gaat met deze opmerking volledig de mist in.

Klacht indienen

Ieder mag voor zichzelf bepalen wat hij zegt. Tegen de arrogante baas op kantoor zeggen we andere dingen dat tegen je kinderen wanneer zij het bloed onder je nagels vandaan halen. We stellen onze eigen grenzen, en we stellen ze voortdurend bij, afhankelijk van de omgeving, tegen wie we het hebben, welke consequenties we aanvaardbaar vinden. En als het desondanks verkeerd loopt, is het hommeles, is het zwijgen, en na vier jaar verschijnt godbetert Bertje van Het Familiediner op je stoep. En omdat we hier in dit land samen moeten leven, hebben we ook wettelijke grenzen gesteld aan die vrijheid.

De wetgeving is glashelder: je kunt alleen een bestaande persoon beledigen, belasteren, smaden. En die moet dan maar een klacht indienen. En je mag niet discrimineren of haatzaaien jegens complete bevolkingsgroepen. Dan kan het OM in actie komen. Maar je kunt een overtuiging niet beledigen, en ook geen religie, en ook geen dode. Een profeet bijvoorbeeld. (Het aparte wetsartikel dat je God kon beledigen is nog niet zo lang geleden gesneuveld.)

Gevoelige teentjes

Dat is alles bij elkaar een enorm MAAR. Een waar Rushdie dus niks van wil horen. Prima. Maar waar is die vrijheid goed voor als je weigert te luisteren? Als Rushdie iets geeft om de vrijheid van meningsuiting, dan zet hij zijn oren juist wijd open voor het debat waar de grenzen liggen. Zeker, het is niet leuk om ongelijk te krijgen, om op je gevoelige teentjes getrapt te worden, om geconfronteerd te worden met zeikerds die zeggen dat ze ‘gekwetst’ zijn.

Maar die confrontatie, dat is nou net waar het om draait. Dat is het schurende nut van de vrijheid van meningsuiting. Die is er voor de ander waar je een hekel aan hebt. En als je beweert dat die vrijheid waardevol is, dan moet je dus naar die ander luisteren. Dat zou Rushdie ook moeten doen.

Moreel superieur

De strijd over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting is geen strijd tussen helden en lafaards. Tussen mensen die durven en mensen die bang zijn. De vraag naar de grenzen van dat recht is een legitieme vraag naar hoe we dan met elkaar in het openbaar om willen gaan. De baas, de politieman, premier Rutte hoeven niet alles te pikken wat er naar hun hoofd wordt geslingerd. De grenzen zullen altijd in beweging zijn, zullen altijd bevochten moeten worden, want we zijn allemaal mensen als Rushdie, die kritiek liever niet horen.

Dat betekent confrontatie, debat, dialoog. En niet dat hooghartige, moreel superieure van: kijk, daar heb je de laffe Maar-brigade! Dat is niet de manier om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Dat verschilt weinig van een fundamentalist die iedereen die ‘maar…’ tegen hem zegt gelijk een kafir noemt.

(met dank aan Elma Drayer, die in haar column in de Volkskrant van 20 februari de lezing van Rushdie vermeldde, en verder tot haar teleurstelling constateerde dat slechts een derde van de lezeressen van Opzij vindt dat het beledigen in columns en cartoons gewoon moet kunnen.)

Marcel Hulspas (1960) studeerde natuur- en sterrenkunde te Nijmegen en Utrecht. Hij publiceerde vele boeken, waaronder enkele titels over UFO-onderzoek, ‘Tussen Waarheid en Waanzin‘, een encyclopedie van de pseudowetenschappen, en ‘En de zee spleet in tweeën‘, over de historische bronnen achter het Oude Testament. Zijn nieuwste boek, over Mohammed en het ontstaan van de islam, verschijnt over enkele maanden bij Athaeneum, Polak en Van Gennep.

Marcel Hulspas