Frontaal
Naakt
2 februari 2010

Netwerkmarokkanen

Peter Breedveld

dag7

Hassnae was gevraagd te komen debatteren op een Netwerkdag van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders in het Spoorwegmuseum. Ik ging mee, omdat ze me na afloop een etentje in mijn favoriete Utrechtse restaurant Opium had beloofd.

De zaal waar het debat zou plaatsvinden, zat helemaal vol Marokkanen. Voorin zaten, op een podium, minister van Probleemmarokkanen Eberhart van der Laan, Socioloog Dick Pels en een Marokkaanse mevrouw. Dick Pels was net bezig de Nederlandse cultuur bij het grofvuil te zetten, want daar hechtte hij, ruimdenkende kosmopoliet dat-ie is, natuurlijk helemaal niet aan. Pels zei: “Kerstmis, dat mogen jullie van mij hebben. Dat is toch verworden tot een commerciële puinhoop.” Toen keek hij heel guitig en zei: “Maar van Sinterklaas blijven jullie af! Aan Sinterklaas ben ik gehecht!” Sinterklaas is in de ogen van Dick Pels kennelijk geen commerciële puinhoop.

Niemand vond dit grappig, en Van der Laan werd er zelfs een beetje pissig om. Hij vond dat Pels wat hooghartig aan het sneren was, “een beetje high-brow dingen wegwuiven die heel veel Nederlanders wèl belangrijk vinden, dat neem ik je kwalijk, Dick.” Bij zijn Marokkaanse gehoor, ‘Nieuwe Nederlanders’ noemde hij ze, drong Van der Laan aan op meer empathie voor de ‘Oude Nederlanders’.

Daarna stond er een Marokkaan op om zichzelf even in het zonnetje te zetten. “Wat nou, participeren en meedoen”, zei hij. Hij had het allemaal zelf gedaan, zonder hulp van wie dan ook. De enige Marokkaan op zijn beroepsopleiding was-ie, en nee, het was niet makkelijk, maar hij zette door, en nu was hij dan een succesvol sportleraar op een witte eliteschool.

Ik ben nog nooit op een bijeenkomst van Marokkanen geweest waarin niet binnen een kwartier een paar Marokkanen zichzelf stonden te feliciteren omdat ze op geheel eigen kracht zo geweldig succesvol zijn geworden – en inmiddels ben ik op heel wat van die bijeenkomsten geweest.

Hassnae moest in debat met Abdelghafour Ahalli, die een Berberorganisatie vertegenwoordigt, en Aissa Zanzen, een bestuurslid van een moskeevereniging. Het ging over de emancipatie van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap, en wat nou eigenlijk de hindernissen waren. Zanzen, met een zelfvoldane grijns die wel in zijn smoel gekerfd leek, begon meteen al moeilijk te doen omdat er volgens hem geen Marokkaans-Nederlandse gemeenschap bestaat, en dat er specifieke Marokkaans-Nederlandse problemen zijn, gelooft hij ook niet.

Ahalli zat niet in de ontkenningsfase en stipte een paar typisch Marokkaans-Nederlandse problemen aan, wat onmiddellijk tot gekakel leidde bij de vrouwen die voor en achter me zaten, zodat het moeilijk werd om het debat te volgen. Ahalli vertelde over de roddelcultuur onder Marokkanen, die maakte dat een man zijn auto, met zijn vrouw erin, eerst in de garage reed voordat zij mocht uitstappen, ongezien door de buren. Zanzen grijnsde: “Zoiets heb ík nog nooit meegemaakt, hoor!” Hij keek naar de kakelende vrouwen. Die vonden het ook maar een belachelijk verhaal.

Een jonge vrouw voor me stond op en schreeuwde dat zij heel geëmancipeerd was, en dat ze op eigen kracht… en hoppa, daar begon de rituele zelfbevlekking weer. Ahalli bleef erop hameren dat er wel degelijk het één en ander mis was, en dat er nog een heleboel moest gebeuren op emancipatiegebied. Een jongeman in de zaal zei dat het als Marokkaan eigenlijk onmogelijk was zich aan de Ramadan te onttrekken. Onzin, vonden de vrouwen. De maagdelijkheidscultus kwam ter sprake. Was volgens de vrouwen ook niks van waar. Een vrouw zei: “Wij zijn allemaal moslims!” De niet-vastende jongeman onderbrak haar: “Ik protesteer!” Ze zei gewoon nog een keer opnieuw: “Wij zijn allemaal moslims.” De jongeman bestond niet voor haar.

De vrouwen gingen nu heel hard door Ahalli’s betoog heenpraten. Ahalli vroeg ze stil te zijn. Hij had immers naar hen geluisterd, dan konden zij toch ook wel het fatsoen opbrengen hem aan te horen. Maar in plaats van dat de vrouwen er beschaamd het zwijgen toe deden, stond de zelfbevlekster weer op en zette een enorm grote smoel op. Breed gebarend: Zij was hier om te praten over haar emancipatie, die geslaagd was, en zij had geen behoefte aan Ahalli’s gezeur.

Achter me stond een vrouw op die zei dat ze advocaat was in Gouda, dat ze had geprobeerd de Marokkaanse probleemjongeren te helpen, maar dat die niks van haar aannamen omdat ze een vrouw was. En dan ging Ahalli het daar een beetje hebben over de achtergebleven emancipatie van Marokkaanse vrouwen. “Jij zou het goede voorbeeld aan die jongens moeten geven!”

Zo oliedom had ik het nog niet meegemaakt. Het relaas van de vrouw was een onmiskenbare bevestiging van alles wat Ahalli had gezegd, maar toch was iedereen boos op hem, alsof hij die jongens tegen die advocate had opgezet.

Toen maakte de sullige gespreksleider, een kaaskop die geen orde kon houden en geen Marokkaanse naam kon uitspreken, al deed hij nog zo zijn best, een einde aan het debat. We werden uitgenodigd voor het lopende buffet, maar ik zei nee, nee, we zouden naar Opium.

Daar heb ik tartaar van heilbotfilet, eend en een grand dessert gegeten. Hassnae wilde de visboemboe, maar die was op, zeiden ze. Dus koos ze maar tonijn met gamba’s.

Peter Breedveld is onthutst door het bericht dat moslims niet gewoon nazi’s zijn, nee, ze zijn érger dan nazi’s! Zíj hebben die brave Adolf Hitler op het idee van de Holocaust gebracht, betoogt ‘historicus’ Martien Pennings op de site van ‘schrijver’/’journalist’ Joost Löllemeier!