Nivellering
Yezkilim

Vroeger was een leraar iemand die op een middelbare school les gaf en aan een universiteit had gestudeerd, later mocht dit ook een lerarenopleiding zijn. Weer later werden én het niveau van de lerarenopleiding én de bijbehorende eisen voor de vooropleiding drastisch verlaagd, zodat het steeds vaker voorkomt dat scholen met slimme leerlingen moeite hebben om even slimme leraren te vinden. Nog weer later werden ook onderwijzers, gevolgd door alle anderen die lesgeven tot leraar bevorderd. Binnenkort zijn ongetwijfeld de crècheleidsters m/v aan de beurt.
Ooit was je student als je aan een universiteit studeerde. Toen gingen ook de HBO-ers zich zo noemen, gevolgd door de MBO-ers. Het is een kwestie van afwachten tot ook de VO-leerlingen zich studenten gaan noemen. Waarna uiteraard de basisschoolleerlingen zullen volgen. En ook de term afstuderen is niet meer voorbehouden aan studenten: ook MBO-ers en zelfs VMBO-ers zeggen steeds vaker dat ze aan het afstuderen zijn.
Tot zover de nivellering in de naamgeving. Maar er is meer aan de hand. De leerlingen kunnen en weten steeds minder en worden steeds minder slim. Steeds meer leraren durven dit hardop te zeggen. Want zelfs wanneer ze precies dezelfde uitleg en precies dezelfde proefwerken geven als vroeger, krijgen ze véél lagere gemiddelde resultaten. De kinderen overhalen om (nog?) harder te werken, heeft geen effect en dus passen ze, om niemand aan het schrikken te maken, de normen voor de proefwerken aan.
Ook de overgangsnormen worden aangepast als er teveel kinderen dreigen te blijven zitten, zie bijvoorbeeld een oproep in de wiskundE-brief nr. 518 van 7 februari. En een leraar die niet mee wil doen, die voet bij stuk houdt en gewoon driekwart van de klas een keiharde onvoldoende geeft of de halve klas wil laten doubleren, krijgt het flink aan de stok met zijn of haar collega’s.
Ze moeten natuurlijk wel examen doen, straks. Maar ook daar is niemand bang voor. Want over de ene helft van het examencijfer gaat de school zelf, die zelf de normen bepaalt, en over de andere helft gaat een landelijke commissie, die een heel speciale werkwijze heeft: ze laat geen examens-met-normeringen samenstellen, maar laat de normering pas bepalen wanneer het examen afgenomen is en alle behaalde puntenaantallen in het landelijke examencomputersysteem staan, omdat de normering elk jaar opnieuw bepaald moet worden aan de hand van weer een andere norm: het percentage voldoendes dat er voor het betreffende vak nodig is het gewenste percentage geslaagde examenkandidaten te bereiken.
Twee voorbeelden.
1) Normaal gesproken wordt bij open vragen de volgende normering gebruikt: cijfer = (jouw score) ÷ (maximale score) x 9 + 1, zodat je met alles goed een 10 hebt, met de helft goed een 5.5 (nog net een voldoende) en met alles fout een 1. Maar moet de norm worden aangepast om genoeg leerlingen een voldoende te geven, dan wordt de normering bijvoorbeeld: cijfer = (jouw score) ÷ (maximale score) x 6 + 4. Dan heb je met alles fout nog steeds een 4 en met maar een kwart goed nog steeds een voldoende.
2) Bij multiple-choice vragen ligt het anders. Bij honderd vierkeuzevragen bijvoorbeeld, is een eerlijke berekening, na een verhoging van scores onder de 25 (de gokdrempel voor honderd vierkeuzevragen) naar 25: cijfer = (jouw score – 25) ÷ 75 x 9 + 1. Maar ook hier kun je x 9 + 1 vervangen door, bijvoorbeeld, x 6 + 4.
En dan nu een mogelijke oorzaak van de ‘noodzaak’ tot nivellering. Misschien wist of raadt u het al: ook met de CITO-toets uitslagen (waarover ik al eerder schreef, in Musical) is er van alles aan de hand.
Ten eerste is er het verschijnsel dat ambitieuze ouders hun kinderen steeds vaker naar trainingen sturen waar tot vervelens toe losse vragen, uit de context dus, uit oude CITO-toetsen worden geoefend.
Ten tweede wordt ook voor de CITO-toets de normering voortdurend aangepast, maar hier is het doel niet zozeer het voorkómen van teveel lage scores, maar meer het zorgen voor voldoende hoge scores. De norm is hier dat elk jaar opnieuw pakweg één procent van de deelnemers de maximum score moet behalen en pakweg tien procent een gymnasium- of VO-score. En daarom moet elk jaar opnieuw niet alleen de formule voor de cijferberekening voor de circa 300 vier- en vijfkeuzevragen worden aangepast, maar ook het aantal fouten dat je mag hebben om nog steeds de maximale score van 550 te krijgen!
Het zou dus best wel eens zo kunnen zijn, dat, elk jaar opnieuw, het gemiddelde kind met een gymnasium-CITO-score een lagere score zou hebben dan de kinderen met dezelfde score van het vorige jaar wanneer de normen niet jaarlijks zouden worden aangepast en wanneer er niet steeds vaker geoefend zou worden met het domweg uit je hoofd leren van oude CITO-antwoorden. En dan zou het óók best wel eens hierdoor kunnen komen dat de gemiddelde gymnasiast inderdaad elk jaar minder kan en weet en minder slim is.
Yezkilim is een full-time allround compulsief obsessief probleemoplosser, met als specialiteit radicale onderwijshervormingen. Daarnaast is ze wiskundeleraar.





RSS