Piccolo in veldgroen
Peter Breedveld
Een tijdje geleden deed ik mee aan een debat over de graphic novel – ‘literaire strip’ – en of die de redding zou zijn voor het medium strip. Nu vind ik dat striptekenaars, uitgeverijen en stripjournalisten veel te veel bezig zijn met die graphic novel, en dit ten koste van de reguliere strips voor de hele familie. Series als Asterix en Lucky Luke verkopen lang zo goed niet meer als in de jaren zeventig en tachtig en volgens mij komt dat doordat er nauwelijks nog goede familiestrips verschijnen, althans in het Nederlandse taalgebied.
Verschenen er maar meer goede familiestrips, dan zouden die wel verkopen, zei ik. Ik zag mijn gelijk bewezen toen ik een praatje maakte met een Bruna-verkoper over het album ‘Piccolo in veldgroen’ dat in de Bruna Top Tien van best verkopende boeken stond. Dat had hij nog nooit eerder met een strip meegemaakt, zei hij.

Waar kennen we die schurk toch ook alweer van? Stuur de oplossing naar Frontaal Naakt en win dit album.
Dat zou uitgevers aan het denken moeten zetten. Hun aandacht voor familiestrips nadert het absolute nulpunt en er wordt bijna alleen nog maar gemakzuchtige rotzooi op de markt gebracht, zoals Suske en Wiske en Nickolodeon-troep. Daar is altijd wel publiek voor, maar het succes van Piccolo in veldgroen laat zien dat er nog steeds een groot publiek voor kwalitatief goede familiestrips bestaat.
Robbedoes en Kwabbernoot bestaan al sinds 1938 (in het begin zonder Kwabbernoot) en het is één van de populairste Belgische strips. De serie kan echter niet tippen aan het succes van die andere Belgische stripheld, Kuifje. Toch hebben schrijvers en tekenaars als Jijé, Franquin, Fournier en Tome & Janry zestig jaar lang het ene energieke, onderhoudende en mooi getekende Robbedoes-album na het andere afgeleverd. Alleen het huidige team dat op de serie is gezet, Morvan & Munuera, maakt er een barokke, onbegrijpelijke zooi van.
Gelukkig is er sinds een paar jaar ook een spin-off, die verschillende striptekenaars van naam de gelegenheid biedt hun eigen ding te doen met Robbedoes en Kwabbernoot en in die serie is Piccolo in veldgroen het vijfde deel. Het verhaal speelt in de Tweede Wereldoorlog en Robbedoes en Kwabbernoot raken gebrouilleerd omdat ze elkaar verwijten voor de nazi’s te werken. Robbedoes als piccolo in hotel Moustic, waar de Gestapo haar hoofdkwartier heeft gevestigd, en Kwabbernoot als medewerker van de foute krant Le Soir. Zonder het van elkaar te weten, zijn de vrienden echter actief in het verzet.

Twee van die onschuldige, kolderieke stripfiguren en de grimmige werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog, dan krijg je bevreemdende situaties. Er wordt in dit album dan ook werkelijk op grote schaal gestorven, Robbedoes zoent met een Joodse onderduikster (die later blijkt te zijn weggevoerd) én met een nazi en Kwabbernoot gaat zelfs met de nazi naar bed. Een fatale vergissing van Robbedoes kost vele duizenden doden en aan het eind van het album worden moffenhoeren kaalgeschoren.
Ik had nooit gedacht nog eens een jeugdalbum te lezen waarin zo treffend de grijsgebieden tussen goed en fout, de ethische dilemma’s, de morele ambivalentie en de menselijke feilbaarheid van helden in de Tweede Wereldoorlog worden geschetst. Dit alles is door Olivier Schwartz mooi getekend in een strak retrostijltje en het leest als een trein. Voor de stripconnoisseurs heeft scenarist Yann bovendien tal van verrassingen in het verhaal gestopt.
Zo zijn we getuige van een discussie tussen verzetsmannen Jean Doisy en Raymond Leblanc over Hergé, de tekenaar van Kuifje. Doisy vindt dat Hergé gefusilleerd moet worden omdat hij Kuifje is blijven publiceren in de foute krant Le Soir. Leblanc vindt dat Hergé daarmee het Belgische volk troost biedt in moeilijke tijden. Dit is authentiek: Na de oorlog richtte Leblanc het weekblad Kuifje op, en zo voorkwam hij dat Hergé wegens collaboratie werd gestraft.

Eerder verschenen in Vrij Nederland.





RSS