Romantisme
Louis Couperus

Illustratie: Cali Rezo
Ik zwem hier in louter romantisme. Goed, Algiers is een Fransche stad, maar tusschen al dit Fransche koloniale is de oorspronkelijke lokale kleur zoo ongerept en prachtig behouden als speurende artistenzin maar kan wenschen.
Bedenk toch, Algiers was eenmaal, in vroegere eeuwen, een zeerooversstaat: is er iets romantischer denkbaar dan een Staat van zeeroovers? Is het niet verrukkelijk voor een romantischen geest te bedenken, dat zooiets bestaan kòn: een Staat van zeeroovers, die eeuwenlang – en je overdrijft niet als je dat zegt – de Middellandsche Zee onveilig maakten? Zeeroovers, die enterden van af hunne pirate-galeien alle mogelijke Fransche, Spaansche, Engelsche, Hollandsche, Genueesche, Venetiaansche koopvaardijschepen, ze buit maakten en bemanningen en reizigers in slavernij hielden, totdat hunne consuls na moeizame onderhandeling met verwanten in moeder- en vaderland, losprijs konden aanbieden. Ja, hunne consuls, want ieder land had in dien Zeerooversstaat zijn consul en ze woonden te zamen in de Rue des Consuls, waardoor wij met eigen voeten wandelen.
Ik heb altijd dol van struikroovers en nog meer van zeeroovers gehouden van kleinen romantischen knaap af. Stel je voor: zeeroovers, die de zee doorkruisten onder bevel van Horouk Barbarossa – ik zie den kerel met zijn rossigen baard en zijn donker booze oogen onder zijn breeden tulband spieden en bevelen van af de tinnen van zijn rooverpaleis: de Jenina, waar het Aartsbisschoppelijk paleis nog een overblijfsel van is! Horduk of Horouk… de naam alleen roept je den barste aller zeeroovers op.
Alle staatshoofden in de zestiende eeuw waren als de dood voor Horduk en voor zijn broer Kereiddin, ook al met een koperkleurigen baard. Mannetjes-kerels waren die beide Horoukken; groote, sterke, energieke bazen, die boven op hun kasteel van Algiers met de Kashbâ-citadel er transend om heen, maling hadden zelfs aan Karel v, die hen tevergeefs nu en dan met zijn vloot bestookte. Je begrijpt, dat ze schatten verzamelden, dat ze schatkamers hadden vol mooie en kostbare dingen, die twee Horoukken met hun adelaarsneuzen en kromme sabels – ze waren van Turksche maar christelijke afkomst; dat moet dus een oud Byzantische familie geweest zijn; wat compliceert zich dat alles heerlijk: je moderniseert als auteur hun rooverfiguren met de erfelijkheidstheorie en analyzeert bij je eigen waarom die twee kerels piraten zijn moeten worden.
Harems, dat ze hadden, vòl prachtige, geroofde vrouwen: blonde uit Engeland en Nederland, en zwartgelokte uit Andaluzië en een volk van slaven – die niet rijk waren konden zich niet door hun consuls laten vrij koopen en bleven slaaf, de stakkerds – bouwden hun citadel en stad; in die citadel – de Kashbâ – dwalen wij nu nog rond: wij hebben het gedaan met ònzen consul en ik heb er rond gezwommen in louter romantisme: heusch, als je maar een beetje verbeelding hebt, gaat dat hier wel en tevens is de ‘schilderachtigheid’ niet van de lucht: neen, werkelijk, zonder gekheid, het is prachtig: ieder straatje en slopje, iedere hoek, iedere trap, ieder poortje en binnenhuisje, zwoel en zwaar van romantisme, is om schaduw, kleur en lichtval een ongelooflijke schoonheid, en een schoonheid zóó romantiesch, dat je gelooven kunt weêr te leven in de dagen van Victor Hugo, Théophile Gautier, Delacroix: het is hun kunst, die je ziet met je oogen en tasten kan met je handen, en leeft en voelt, tot je er dronken van bent, dronken van kleur en gloed, die al je vale modernisme verdrinken.
Dit is het zevende deel van de avonturen van Louis Couperus (1863 – 1923) in Noord-Afrika, in 1921 in feuilletonvorm verschenen in de Haagsche Post, later gebundeld als ‘Met Louis Couperus in Afrika’. Lees ook deel 1, 2, 3, 4, 5 en 6.





RSS