Vermoorde onschuld
Özcan Akyol

Illustratie: Egon Schiele
Het was op zijn zachtst uitgedrukt merkwaardig, dat een kleuter van vier, want zo oud was ik, op de eerste dag van de zomervakantie een lammetje kreeg van zijn vader. In eerste instantie was ik bang voor het beest, want anders dan mijn vriendjes en vriendinnetjes op de basisschool in Nederland had ik geen huisdier, dat vonden mijn krenterige ouders een overbodige vorm van decadentie. Mijn broers, voor wie het bezit van een lammetje ook een noviteit was, pestten mij omdat ik het beest niet durfde te aaien. Ik was een voorlijk kind, heb ik me laten vertellen, maar dat zij evengoed bang waren voor het beest, viel mij toen niet op.
In de grote bestelbus waarin wij naar het geboorteland van mijn ouders reden, vertelde mijn moeder allerlei anekdotes over haar jeugd aan mijn broers, die op hun beurt bulderden van het lachen. Ik was nog te klein om alles te snappen. Het was mijn eerste bezoek aan Turkije. Ik speelde plichtmatig op mijn Game Boy en lachte zo nu en dan met de anderen mee, al snapte ik niet zo goed waarom zij zich zo verkneukelden in al die onbegrijpelijke verhalen. Ik vond het eng om naar Turkije te gaan, vooral omdat mijn oudste broer mij verzekerde dat ze geen patat hadden in dat vreemde land. Daar aten ze kruidig vlees, veel vlees, zonder saus, en de mensen dronken er alleen ayran, een mengsel van water en yoghurt.
Na drie dagen in de verzengende hitte kreeg ik al een vreemdsoortig bruine kleur. Het dorp van mijn ouders ligt in centraal Turkije, niet per definitie de heetste plek van het land, maar in de zomer is het nagenoeg overal in Turkije ondraaglijk warm. Van lieverlee groeide mijn belangstelling voor het lam. We hadden een enorme tuin voor de deur, ideaal voor het beest om te grazen. Soms klom ik op het bed van mijn ouders, waardoor ik uit het raam kon staren, en tuurde urenlang naar de handelingen van het beest. Na een week, vroeg in de ochtend, hadden we oogcontact, het lam en ik, misschien wel vijf minuten lang. Op dat moment vloeide de angst weg. Ik holde naar buiten met ontbloot bovenlijf en in mijn korte broek, en gaf het diertje een knuffel.
De vriendschap tussen mij en het lammetje groeide iedere dag een beetje. Dat had ook te maken met de beperkte mogelijkheden in het geboortedorp van mijn ouders voor mij als kleuter. Het was allemaal nogal primitief. Er was geen speelplaats, andere kinderen waren er niet en bovendien telde de wijde omgeving slechts één winkel, en die zetelde op een enorm loopafstand. Maar in mijn euforie vond ik dat allemaal niet zo erg. Ik was zo klein dat ik op het lam kon zitten en dan droeg het beest me door de hele voortuin. Mijn broers klapten en joelden als ik triomfantelijk voor hun langs paradeerde, ik wist dat ze jaloers waren op mij, want zij waren te fors om op het iele diertje te zitten.
Op een ochtend kwam een man in een witte overall ons huis binnen. Hij had een somber, vlezig gezicht en dronk thee met mijn vader. Ik kende de man niet, en volgens mijn broers was hij ook geen familie. Zijn glimlach was ontkleed, een routineplooi van iemand die veelvuldig onbekende mensen bezoekt en uit beleefdheid meelacht met hun grapjes. Ik zag een rode vlek in zijn overall, ter hoogte van zijn knie en vroeg me af hoe die daar kwam. De onbekende liep samen met mijn vader naar buiten, hij aaide mijn lam, keek in de mond van het beest en stak toen een duim op. Mijn vader lachte, gaf de man een ferme handdruk en sprak in het Turks zijn erkentelijkheid uit. Deze vreemde scène hield me die ochtend lang bezig, maar toen ik even later tot de conclusie kwam dat het lammetje in omvang was toegenomen, vergat ik alles weer.
Het dier werd een obsessie voor me, geen minuut verstreek zonder dat ik aan mijn lam dacht, continu was ik begaan met zijn welzijn. Ik at tijdens het ontbijt en diner alleen nog maar halve porties, de rest bracht ik in het geniep naar buiten, naar het lam. Het vrat alles wat ik hem gaf, zonder ooit tegen te stribbelen of iets te laten staan. Na het eten ontlastte het beest. Iedere keer dat zijn keutels zijn aars verlieten, verviel ik in een daverend gelach, gefascineerd door het verschil tussen zijn poep en die van mij. Het was de vijfde week van ons verblijf in Turkije en ik vroeg me op een nacht af of ik überhaupt nog wilde terugkeren naar Nederland. Wat zou er met het beest gebeuren? Ik stelde me voor dat het achter moest blijven in het dorp en viel huilend in slaap.
In de laatste week van ons verblijf in het vreemde land kwam mijn moeder de huiskamer binnen met drie vreemde uniforms in haar hand. Ze deden me denken aan carnaval. Mijn broers trokken ijverig de kledij aan en liepen pronkend door het huis. Ik talmde heel erg, vooral omdat ik niet wist wat de bedoening was van die poppenkast. Mijn moeder deed een poging mij ook aan te kleden, maar ik stiefelde naar buiten, op de vlucht voor hun waanzin en op zoek naar mijn lam, waarmee ik nog een tijdje wilde spelen. Die avond kon ik maar moeizaam de slaap vatten. Ik was ongetwijfeld veel te jong om de gang van zaken te begrijpen, maar ik had wel een voorgevoel dat groot onheil voorspelde. Dat bleek niet onterecht.
Terwijl ik de volgende ochtend nog lag te slapen, hoorde ik mijn broers hard schreeuwen. Ik sprong uit mijn bed, trok de veel te grote slippers van mijn moeder aan en schuifelde naar buiten. Daar zag ik dat de vreemde man, die een tijdje terug ons huis had bezocht en met mijn vader had gepraat, een koord om de hals van mijn lam bond en hem met moeite meesleurde buiten de poorten van de grote tuin. Ik ontdeed me van de slippers en trok op mijn blote voeten een sprint, vastbesloten om de man tegen te houden. Maar mijn vader hield me tegen, tilde me op en zei dat ik het beest maar gedag moest zwaaien, dat het nooit meer zou terugkeren.
Het lukte me uit de armen van mijn vader te ontglippen. Ik liep hyperventilerend en samen met mijn broers naar een schuur, waar ik de man, de onvermurwbare slager, zijn messen zag slijpen. Hij riep een vreemd gebed en sneed de keel van mijn lam door. Het beest liet het leven voor ons gezicht. Wij moesten alle drie huilen en troostten elkaar. Toen we terugkwamen bij ons huis zagen we onze vader lachen. Hij bagatelliseerde de situatie, legde uit dat het een offer was en dat wij morgen besneden zouden worden. Daar snapten wij niets van. Mijn broers waren diezelfde middag nog over hun verdriet heen. Zij begrepen nu ook waarvoor de uniforms waren. Er zou een feest zijn ter ere van onze besnijdenis. Mijn oudste broer probeerde mij nog te troosten. ‘Ik zei toch dat ze hier veel vlees eten.’ Ik luisterde naar zijn woorden, en huilde harder dan ooit tevoren.
Özcan Akyol is een megalomane verhalenverteller met een pathologische geldingsdrang en een chronische schrijf- en leeswoede. Lees zijn blog.





RSS