Zelfcensuur
Michael

Foto: Zo’é
Het afgelopen jaar voelde ik bij mijzelf een weerstand groeien wanneer in de media weer eens werd opgeroepen tot zelfcensuur. Aanvankelijk verschuilde ik mij achter clichés als vrijheid van meningsuiting of expressievrijheid, maar naarmate de tijd vorderde, realiseerde ik mij dat ik mij ergerde aan een ongelijkheid van een andere orde.
Ik groeide op in een ogenschijnlijk normaal gezin. De relatie tussen mijn ouders en mij verslechterde, zoals zo vaak, toen mijn puberteit begon. Het was pas enige jaren later dat ik door begon te krijgen dat de manier waarop mijn ouders tijdens mijn puberteit met mij omgingen, niet helemaal normaal was. De rechten en verantwoordelijkheden die ik thuis kreeg, ook na mijn puberteit, kwamen niet overeen met mijn denkniveau en vaardigheden en over een periode van tien jaar groeide een wederzijds wantrouwen.
Moeilijk en onhoudbaar
Ik voelde me een gevangene in het ouderlijk huis, waar uit alle regels was op te maken dat mijn ouders het liefst een onbewogen en geïsoleerd leven leden. In de ogen van mijn omgeving was ik zó netjes dat ik saai was, maar thuis zag men mij als een moeilijke en onhoudbare jongen. Mijn drang naar meer sociale contacten werd met onbegrip beantwoord en ik kreeg meer dan eens te horen dat mijn vrienden mij in de steek zouden laten als zij er ooit achter kwamen hoe ik werkelijk in elkaar zat. Mijn ouders bemoeilijkten mijn zoektocht naar een eigen woning, vooral door mijn onzekerheid te voeden, en uiteindelijk besloot ik, uit puur zelfbehoud en na het vinden van een klein appartement, het contact met mijn ouders te verbreken.
De moeilijkste maar ook belangrijkste beslissing die ik ooit heb genomen.
Intense ruzies
In de jaren die daar op volgden, verwerkte ik de breuk in kleine stapjes. De relatie met je ouders is de meest diepgewortelde die je ooit zult hebben en daar word je in zo’n situatie op de meeste vreemde manieren aan herinnerd. Mijn zelfbeeld was klein en negatief en ik zocht lange tijd naar manieren om mijzelf ervan te overtuigen dat ik niet de ellendeling was die mij jarenlang was voorgehouden.
Tegelijk wilde ik af van ieder maniertje, ieder stopwoordje dat ik met mijn ouders deelde. Het eerste anderhalf jaar zaten ze iedere dag in mijn kop. Ook ’s nachts, en meer dan eens schrok ik klam wakker uit een nachtmerrie waarin ze mij confronteerde met mijn vertrek of herbeleefde ik de meest intense ruzies die ik heb gekend.
Ingestudeerde anekdotes
Ik heb gaandeweg een manier gevonden om ermee om te gaan, maar het zal altijd deel van mij uitmaken en ik heb moeten accepteren dat ik iedere dag kan worden herinnerd aan het gemis van ouders waar ik op kan leunen en vertrouwen. Iedere dag zie ik immers families op straat, bij vrienden thuis en overal hoor ik mensen met vreugde vertellen over hun ouders.
Dat wat mij zo’n pijn gedaan heeft, is voor hun een van de grootste bronnen van geluk en een van de meest vanzelfsprekende facetten van het leven. Ik sla daarentegen feestjes over om mijzelf te ontzien en manoeuvreer mij tijdens gesprekken behendig met ingestudeerde anekdotes om het onderwerp heen.
Als een mokerslag
Rond kerst en oudjaar neem ik extra dagen vrij, omdat ik uit ervaring weet dat ik slecht slaap door alle herinneringen. Op vader- en moederdag durf ik uit angst voor een spontane depressie niet op Facebook te kijken en loop ik met een grote boog om de met cadeautjes gevulde drogisterijen heen.
De kleinste verwijzing, de meest onbetekenende vorm van genegenheid op straat tussen ouder en kind kan op het verkeerde moment als een mokerslag binnenkomen. Er zijn dagen, weken, soms maanden, dat ik om het hardst mensen zou willen oproepen in mijn buurt de liefde, die zij voor hun ouders voelen, te verzwijgen en te verbergen.
Maar twee simpele argumenten weerhouden mij daarvan, het argument dat ik voor gek verklaard zou worden niet meegerekend.
Geluk van anderen
Het is in een maatschappij onwenselijk om mensen op te roepen hun liefde voor familie te verbergen. Van alle oproepen tot zelfcensuur die je kunt verzinnen, is dit er eentje waarvan je met volledige zekerheid kunt stellen dat die nooit geaccepteerd wordt in het publieke debat.
En veel belangrijker: ik wil het geluk van andere mensen niet in de weg zitten. Ik zou het mijzelf voor altijd kwalijk blijven nemen als ik anderen zou vragen hun liefde te verbergen vanwege mij. Wat mijn jaloezie naar degenen, die met meer gemak dan ik hardop tot zelfcensuur kunnen oproepen, niet minder maakt en geen afbreuk doet aan de pijn die ik ervaar.
Gedeeld trauma
Het is een rare en gênante ervaring om met jaloezie te kijken naar mensen die oproepen om bijvoorbeeld een godsdienst of een etnische groep niet langer te beledigen. Lange tijd kon ik dat gevoel niet plaatsen en toen ik begon te begrijpen waar het vandaan kwam, heb ik mij lang afgevraagd of ik een morele denkfout maakte (en ja, het blijft appels met peren vergelijken).
De behoefte om voor onszelf op te komen, wat meer dan eens terecht is, maakt dat wij wat makkelijk vergeten dat iedereen tot een minderheid behoort. Soms is het vanwege een gedeeld trauma, soms vanwege een gedeelde afkomst, een ziektebeeld of een aangeboren afwijking.
En met hetzelfde gemak gaan we er aan voorbij dat die ander wellicht allang besloten heeft niks te zeggen van datgene waarmee je hem het meeste pijn doet.





RSS