Testosteron
Bart Croughs

Illustratie: Michel Kok
Hoe is het mogelijk dat, terwijl heel de westerse wereld lijkt te smachten naar de dag waarop de vrouwen de heerschappij overnemen, deze paradijselijke toestand maar niet wil aanbreken? Hoe is het mogelijk dat al die positieve discriminatie de mannenmacht niet wezenlijk weet aan te tasten?
De laatste decennia is de mannenheerschappij verklaard door de verwerpelijke maatschappijstructuren in het algemeen, en door de seksistische opvoeding en de discriminatie van vrouwen in het bijzonder. Het beleid van ‘positieve discriminatie’ dat onze overheid voert, is gebaseerd op de gedachte dat als vrouwen niet door externe factoren worden belemmerd, ze op alle posities in de maatschappij ‘een afspiegeling van de bevolking’ zullen vormen. Zolang deze afspiegeling nog niet is bereikt, gaat men ervan uit dat vrouwen belemmerd worden door maatschappelijke factoren, zodat positieve discriminatie noodzakelijk wordt.
Maar het feit dat de mannen zich maar niet van hun hoge posities laten verjagen, terwijl dit edele doel nu al zo’n vijfentwintig jaar wordt nagestreefd, doet de vraag rijzen of de verlichte theorie die de mannenheerschappij louter uit sociale factoren verklaart, wel juist is. Zou het niet kunnen zijn dat mannen heersen omdat dit in de aard van het beestje zit? Zou het niet kunnen zijn dat mannen van nature gericht zijn op het verwerven van leiderschapsposities en status – en bereid zijn daar heel wat voor op te offeren – terwijl vrouwen andere zaken belangrijker vinden? (Dergelijke verschillen tussen mannen en vrouwen zijn uiteraard statistisch van aard, en niet absoluut.) Zou het niet kunnen zijn dat zaken als opvoeding en discriminatie een ondergeschikte rol spelen?
Er zijn verschillende onderzoeksgebieden die meer licht op deze vraag werpen. In de eerste plaats is de antropologie een nuttig hulpmiddel om te onderzoeken in hoeverre een bepaald verschijnsel biologisch dan wel cultureel is bepaald. Zoals de etholoog Frans de Waal schrijft (in Sociobiologie ter discussie): ‘Als vuistregel kan men aanhouden dat gewoonten die per land of volk verschillen om een culturele verklaring vragen, terwijl datgene dat vrijwel alle volkeren der aarde gemeenschappelijk hebben biologisch bepaald zal zijn.’
Het belang om een samenleving te kunnen aanwijzen waar niet mannen heersen maar vrouwen (of anders eentje waar gelijkheid tussen de seksen heerst), is door vooruitstrevende denkers altijd onderkend. Een heel legertje feministen en sociologen heeft zich jarenlang beziggehouden met het doorpluizen van geschriften van antropologen, in de hoop zo een diep in het oerwoud verborgen stam te ontdekken waar de mannenmacht afwezig zou zijn. In totaal zijn meer dan veertig samenlevingen opgevoerd als uitzondering op de regel dat een grote meerderheid van de leiderschapsposities en andere posities met hoge status door mannen worden bezet. Maar alle claims bleken op drijfzand te berusten; de mannenmacht is alomtegenwoordig.
De bekendste uitzondering die wordt geclaimd, wordt gevormd door de Tchambuli (nu Chambri, red.), een volkje uit Nieuw-Guinea dat enkele tientallen jaren geleden door Margaret Mead werd bestudeerd. Ook Maarten ’t Hart verwijst in De vrouw bestaat niet naar Margaret Mead om zijn stelling te onderbouwen dat er geen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ gedrag bestaat dat in alle samenlevingen hetzelfde is. Maar Margaret Mead zelf denkt daar vreemd genoeg anders over. Al in 1937 schreef ze in een brief aan de American Anthropologist: ‘Nowhere do I suggest that I have found any material which disproves the existence of sex differences…’ En in Redbook Magazine schreef ze zesendertig jaar later: ‘men everywhere have been in charge of running the show… men have always been the leaders in public affairs and the final authorities at home.’ Dergelijke uitspraken worden in vooruitstrevende geschriften begrijpelijk genoeg minder vaak aangehaald.
Als de mannenheerschappij biologisch bepaald is, wat zou dan het mechanisme kunnen zijn dat hiervoor verantwoordelijk is? Net als bij de mens zijn het bij bijna alle andere zoogdieren de mannetjes die dominant gedrag vertonen. Onderzoek van de afgelopen vijfendertig jaar bij een groot aantal diersoorten heeft aangetoond dat het brein van het mannetje in de baarmoeder of kort na de geboorte door blootstelling aan mannelijke hormonen ‘vermannelijkt’ wordt. Later in het leven heeft dit mannelijk gedrag tot gevolg. Dit mannelijke gedrag kan ook bij vrouwtjes worden opgeroepen door manipulatie met hormonen. Bij een aantal diersoorten werd gedurende de cruciale periode kort na de geboorte een groep vrouwtjes behandeld met mannelijk hormoon. Wanneer deze vrouwtjes vervolgens ook als ze volwassen waren op de juiste wijze hormonaal werden behandeld, vertoonden ze even dominant gedrag als de mannetjes.
Dat bij mensen hetzelfde mechanisme werkzaam is, wordt bevestigd door onderzoek bij twee groepen meisjes die in de baarmoeder werden blootgesteld aan een overmaat aan mannelijke hormonen. Dergelijke meisjes werden voor het eerst bestudeerd door John Money en Anke Ehrhardt, die hun bevindingen publiek maakten in het boek Man and woman, boy and girl.
De eerste groep werd gevormd door meisjes wier moeders tijdens de zwangerschap hormonen hadden geslikt om een miskraam te voorkomen. De tweede groep werd gevormd door meisjes met een aangeboren afwijking, waarbij door de bijnierschors mannelijk hormoon wordt geproduceerd.
De meisjes werden geboren met gewone interne vrouwelijke organen maar met enigszins vermannelijkte externe geslachtsorganen. Na de geboorte werden de geslachtsorganen met een chirurgische ingreep vervrouwelijkt. De meisjes werden vervolgens opgevoed als vrouw, en ze waren verder lichamelijk ook gewone vrouwen: ze menstrueerden, ze waren in staat kinderen te krijgen en te zogen, et cetera. Alleen hun gedrag bleek niet erg vrouwelijk: ze vertoonden het wilde gedrag van ‘tomboys‘ (robbedoezen). Verder legden ze minder enthousiasme voor het moederschap aan de dag, hadden minder interesse voor het huwelijk en meer interesse voor het maken van carrière. Wat speelgoed betrof verkozen ze pistolen boven poppen. Kortom, ze waren wat feministen als ideale dochters zouden beschouwen – ware het niet dat niet de opvoeding doorslaggevend bleek te zijn (de meisjes waren immers opgevoed als vrouw), maar de blootstelling van de foetale hersenen aan mannelijke hormonen.
Er zijn ook welbewust experimenten met mensen gedaan – zij het geen biologische experimenten. In het boek Women in the kibbutz beschrijven L. Tiger en J. Sheper hoe in de Israëlische kibboetsen een heldhaftige poging werd ondernomen sekseverschillen af te schaffen door een strenge politiek van complete seksuele gelijkheid te voeren. De opvoedingsmethoden waaraan progressieve ouders in Nederland hun kinderen onderwerpen, steken bleekjes af bij de kibboetsmethoden: zo fanatiek werd geprobeerd de sekseverschillen eruit te rammen, dat zelfs haardracht en kleding voor jongens en meisjes hetzelfde waren. In het begin leek deze politiek te werken: de eerste generatie vrouwen was ideologisch bevlogen, en ging op grote schaal de politiek en het management in. Maar hun dochters bleken niet onder de indruk van de heersende ideologie en opvoedingsmethoden: ondanks druk van de omgeving gaven ze de voorkeur aan traditionele vrouwelijke bezigheden boven het streven naar leidersposities en andere bezigheden met hoge status.
Dat deze kleine groepjes bevlogen idealisten er al niet in geslaagd zijn de mannenheerschappij af te schaffen, geeft aan hoe groot de kans is om dit ideaal te verwezenlijken in samenlevingen waarvan het grootste deel van de bevolking bepaald niet ideologisch bevlogen genoemd kan worden.
Kortom, of je nu kijkt naar de antropologie, de dierproeven, de tomboys of de experimenten in de kibboetsen – iedere cruciale test wijst in maar één richting: het feit dat mannen heersen, heeft een biologische grondslag; het geheimzinnige ‘glazen plafond’ dat verhindert dat vrouwen op grote schaal doorstoten naar de top, is eenvoudig een gebrek aan testosteron.
Bart Croughs (1966) is filosoof. De bovenstaande tekst is een fragment uit zijn boek In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon (Arbeiderspers, 1995).





RSS