Frontaal
Naakt
5 januari 2008

Engel

Lydia Vermeer

YoujiMuku14 (329k image)
Illustratie: Youji Muku

Welbewust uitdagend zijn ligt me evengoed als het spelen van de rol van het naïeve blote huisnimfje. Die rol is bijna geen rol, omdat hij me op het lijf is geschreven, om zo te zeggen. Een doorzichtig bloesje is altijd leuk. Of een gewoon bloesje dat reikt tot net boven mijn schaamhaar. Of ik heb iets langers aan. Daarbij moet het duidelijk zijn dat ik me ervan bewust ben mooi schaamhaar te hebben. Ik beschouw het dan als een geliefd sieraad en ik wil het graag laten zien. Als ik zo’n gewaadje optrek om welbewust en vol gepaste trots mijn blonde driehoekje te tonen, moet ik vriendelijk kijken, maar niet overdreven. En zeker niet quasi verleidelijk. Op die manier blijft er ruimte over voor de fantasie van de beschouwer.

Altijd domineert het erotische accent. Kunstboeken met esthetisch verantwoorde naaktfoto’s zijn er al legio, vindt Pierre. Toch heeft hij pas weer een reeks heel kunstzinnige foto’ s van mijn schaamhaar gemaakt, met ook als ornament een parelketting.

Een tijdje heb ik gedacht dat die foto met het opgetrokken bloesje niet alleen leuk en interessant was, maar ook origineel. Maar nu heb ik een tekening gezien van Leonardo uit Vinci die helemaal vergelijkbaar is. Je ziet een engel met een innemend gezicht, zoals Leonardo het graag van zijn vriendjes zag. Maar deze engel is meer andro dan gyn. Hij tilt zijn gewaad op en toont zijn penis in erectie, zoals de omschrijving in het Boymans Museum luidde. Hoewel Koningin Victoria niet graag een Leonardo kwijt wilde, en misschien in haar hart een fallus wel interessant vond, was ze naar buiten toe te preuts om die voorstelling in haar collectie te houden. Men zegt dat zij welbewust heeft toegelaten dat het werkje werd gestolen.

Een engel als mijn tegenhanger, niet gek. Het is prettig om mensen te treffen die waardering hebben voor mijn open mindedness. Als ik mijn dagboekaantekeningen zou uitwerken en mijn belevenissen zou opschrijven, zou ik ze kunnen illustreren met allerlei soorten foto’s van mezelf. Wie me kent, weet dat ik geen echt narcistisch karakter heb. Ik heb een zelfstandig oordeel en een eigen visie. Dat heeft Henri ook goed begrepen, dat ik zelf bepaal hoever ik ga met mijn medewerking aan zijn wensen. Als iemand me niet bevalt, bevries ik. Het kan natuurlijk best zijn dat ik weer ietsje ontdooi door de warmte van het geoffreerde honorarium. Maar de persoon blijft centraal voor me.

Ik mag Henri graag. Het is vervelend voor hem dat zijn vriendin hem in de steek heeft gelaten. Ik kan dat niet helpen, maar ik begrijp wel dat hij haar mist. Hij moet maar een nieuwe vriendin zoeken. Zijn eerlijkheid stel ik wel op prijs. In het contact met zijn vriendin was een vast patroon ontstaan. Hij streelde haar een tijdje, dan ging zij hem strelen. Daarna nam zij zijn pik in haar mond en dat vond hij zo fantastisch dat hij dat al bijna het summum vond. Bijna. Want dan zei hij: – Wat moet het heerlijk zijn om straks in je kutje te komen. Dan antwoordde zij steevast: Waarom straks? En dan trad de derde fase in. Het ging bij hun spel horen, ook met woorden: In de hand, in de mond, in het kutje. Een ritueel.

Toen Henri me dat zo vol vertrouwen vertelde, klonk het helemaal niet banaal, wat het in een andere situatie wel zou kunnen zijn. Wat hij nu graag wilde was een schematische beeldrapportage, een soort erotisch drieluik, als sentimentele herinnering. Wat ik daarvan dacht.

Voorlopig maar niet. Als ik hem beter leer kennen wil ik dat in de toekomst niet bij voorbaat uitsluiten, maar voorlopig moet hij maar tevreden zijn met naaktfoto’s zoals hij die graag maakte van zijn vriendin, romantisch en erotisch, met een sjaaltje, handschoenen, ceintuur, avondschoentjes en lange kousen. Hij wordt nog voortgedreven door de herinneringen aan zijn vriendin.

Hij denkt bij mij de warmte en de aandacht te vinden die hij nu mist. Och, een normaal mechanisme, maar voorlopig is hij gewoon een werkgever.

Fragment uit Terug naar Ariadne: bespiegelingen van een naaktmodel, uitgeverij Panta Menei, 1998.

Algemeen