Frontaal
Naakt
20 september 2008

Extremen

Jona Lendering

kat8 (58k image)

De Britse oudhistoricus Keith Hopkins was vermoedelijk een van de meest overschatte geleerden van onze tijd. Ik heb vrij veel van hem gelezen – als hoogleraar in Cambridge is hij een belangrijk vertegenwoordiger van mijn vakgebied – maar zijn oeuvre stelt teleur. Als hij statistiek op een probleem losliet, maakte hij in negen van de tien gevallen een fout; als hij bronnen citeerde, moet je maar hopen dat die werkelijk bestaan; wat hij met aplomb aankondigde als een sociologische in plaats van een historische studie, biedt niets dat niet al te vinden is bij de geleerde Duitsers die ooit de grondslagen legden voor de oude geschiedenis; en in 1999 publiceerde hij een boek over antieke godsdiensten in briefvorm, vermoedelijk hopend dat nog eens iemand naar hem zou omzien. Helaas gebeurde dat ook, zodat iedereen nu aan de hand van een oudhistorisch kopstuk kon vaststellen hoe triviaal de discipline is.

Eén van Hopkins’ ideeën is echter de moeite waard: de Everest Fallacy. Hij bedoelt daarmee onze neiging om dat, wat opvalt, te zien als typerend voor al zijn soortgenoten. Als ik bergen zou onderzoeken, zou de Mount Everest mij meteen opvallen, omdat het nu eenmaal de hoogste top ter wereld is. Maar zou ik al mijn kennis op deze berg baseren, dan gaat het mis: de Mount Everest is bijvoorbeeld grotendeels bedekt met sneeuw, en de meeste andere bergen zijn dat niet.

De vergissing is snel gemaakt. We gaan immers alleen iets onderzoeken als het opvalt, en beginnen vanzelfsprekend bij de opvallendste representant. Zo kan ik me voorstellen dat iemand de oude geschiedenis gaat evalueren omdat het kwaliteitsgebrek van de oudhistorische kopstukken in het oog springt, hoewel maar te bezien valt of Hopkins representatief is voor zijn collega’s, waarvan ik er enkele ken als zeer consciëntieus en andere als ijdele sloddervossen. (De laatste zin van de eerste alinea van dit artikel bevat een voorbeeld van de Everest Fallacy – en u las er vermoedelijk overheen zonder de drogreden te herkennen. Zo natuurlijk is de redenatiefout.)

De ellende is dat de fout systematisch wordt gemaakt. Om een recent voorbeeld te geven: de meeste leden van de D66, PvdA, SP, GL en CU zijn gezagsgetrouwe belastingbetalers met het respectabele ideaal dat mensen gelijke kansen zouden moeten hebben. Wijnand Duyvendak is een opvallende figuur ter linkerzijde, en wie ‘links’ onderzoekt kan niet om hem heen, maar dat wil nog niet zeggen dat alle leden van de genoemde partijen inbrekers zijn. Toch gebruiken columnisten de affaire-Duyvendak om rekeningen met ‘links’ te vereffenen.

Of lees SpitsNieuws van 15 september: ‘De meeste christenen verwerpen Darwins evolutietheorie’. Helaas voor de schrijver van het artikel, J. Peters, heeft noch de gemiddelde katholiek noch de doorsnee-protestant er moeite mee. Enkele spraakmakende minderheden en een oliedomme opmerking van minister van onderwijs Maria van der Hoeven trekken echter zó veel aandacht, dat zelfs Peters, die als journalist toch enige algemene ontwikkeling zal bezitten, de extreme standpunten lijkt te zijn gaan aanzien voor de mening van alle christenen. (Meer in het algemeen kan worden gezegd dat christenen eigenlijk maar heel weinig werkelijk moeten geloven.)

Of neem de Al-Tawheedmoskee bij mij om de hoek in Amsterdam-West, die onlangs de dialoog tussen de moskee en de wijk aanging met het verspreiden van een aan de lezers van Frontaal Naakt bekend boekje waarin christenen voor godloochenaars werden uitgemaakt, aangezien zij geloven dat Jezus water in wijn veranderde. Dit creatieve gebruik van de godsdienstvrijheid om anderen hun godsdienstvrijheid te ontzeggen is schokkend, maar dat wil niet zeggen dat het representatief is voor de Amsterdamse Islam. Mijn islamitische avondwinkelier heeft bijvoorbeeld een prettig breed assortiment bieren en wijnen, andere moskeeën plegen mijn brievenbus niet te vervuilen met dit soort smeerboel, en ik kan u verzekeren dat het in Oud-West prettig wonen is.

De lezer die nu opmerkt dat wat ik schrijf gesneden koek is, heeft gelijk. De Everest Fallacy is weinig anders dan een variant op het secundum quid, een redenatiefout die elke scholier herkent die het studiehuis heeft afgerond. Het probleem is dat veel anderen de fout niet herkennen. Hirsi Ali ziet het Wahabisme, de extreme Islam die door onder andere de Al-Tawheedmoskee wordt uitgedragen, aan voor de echte Islam, en voor zover mij bekend heeft niemand haar verweten dat ze het bijzondere verwart met het algemene. Na een stevig verkeersongeluk wordt meteen geroepen om maatregelen, maar het aantal verkeersdoden neemt al jaren af. De hypotheekcrisis is wel opvallend, maar in haar extremiteit zeldzaam en daarom op zichzelf geen argument voor herregulering. En zo voort, et cetera.

Natuurlijk, het regelmatige en het gemiddelde vormen geen nieuws. Natuurlijk, sommige gebeurtenissen zijn behalve opvallend wel degelijk serieus. Maar ik zou er een lief ding voor over hebben als politici niet bij elk opvallend incident naar de pers zouden rennen, en in plaats daarvan eerst controleerden hoe representatief de gebeurtenis eigenlijk is. Ik voor mij maak me minder zorgen om Wahabisme, creationisme en politieke inbraken dan om het gemak waarmee opinieleiders extremen behandelen alsof ze representatief zijn.

Jona Lendering is historicus en werkt momenteel aan een boek over de islamitische invloed op de Europese cultuur en aan een boek over het ontstaan van het Christendom en rabbijns Jodendom.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home