Frontaal
Naakt
6 januari 2009

Levenslessen van een jezuïet

Alf Berendse

bel20 (83k image)

We hebben van anderen niet veel goeds te verwachten, we moeten ons tegen hen wapenen, leert de jezuïet Baltasar Gracian (1601-1658) ons. Zijn boeken staan vol cynische wijsheden.

De orde van de jezuïeten, de Societas Jesu, is de meest wereldlijke katholieke organisatie. In 1534 gesticht door Ignatius van Loyola, goedgekeurd door de paus, desondanks indertijd scherp in de gaten gehouden door de Inquisitie. Jezuïeten zijn van oudsher de intellectuelen binnen de ‘Moederkerk’, kritisch, niet in zichzelf gekeerd, en vaak met een beroep buiten de kerk, leraar vooral.

Ik ging in de jaren zeventig nog bij Jezuïeten ter schole. Elke woensdagochtend verplichte kerkgang (een gang die ik niet maakte), de school had daarvoor een eigen kapel. Maar de pater die lessen biologie gaf, had geen problemen met Darwin, bij Jezuïeten staan geloof en wetenschap elkaar niet in de weg. En dat terwijl Ignatius van Loyola van zijn volgelingen verwachtte dat ze zich zouden schikken naar de absolute waarheid van de bijbel en de onfeilbaarheid van de paus.

Jezuïet is bijna een synoniem voor opportunist, in geloof en wereldse zaken. Een mooi voorbeeld is Aramis, een van de helden in Alexandre Dumas’ musketiertrilogie. In het eerste deel, De drie musketiers, twijfelt Aramis over zijn roeping, na elke teleurstelling in de liefde hangt hij zijn zwaard aan de wilgen en bereidt hij zich voor op het priesterschap. Daar ziet hij weer van af, zodra hij een langverwachte liefdesbrief of geparfumeerde zakdoek ontvangt.

Zijn eigenzinnigheid in geloofszaken spreekt uit de stelling die hij voorafgaand aan een priesterwijding verdedigt: ‘Enige spijt bij een offer aan God is toegestaan’. Ongepast, vinden zijn leermeesters. Maar, legt Aramis hen uit, spijt is wat van een gift een offer maakt; als je achteraf geen spijt voelt, had het opgeofferde geen waarde voor je. De priesterwijding gaat nog jaren niet door, iemand brengt hem een bericht van een minnares, en het karige kloostereten, spinazie en eieren, bevalt hem ook niet.

Pas in Twintig jaar later heeft Aramis voor het geloof gekozen en is hij Jezuïet. Niet zonder spijt, hij trekt zijn zwaard weer, in een vergeefse poging om de Engelse koning Charles I van de beul te redden. Hij is wat de situatie van hem vraagt: abbé of chevalier. In het laatste deel, De burggraaf van Bragelonne, is hij uitgegroeid tot een naar wereldlijke macht strevende bisschop, die complotteert tegen de Franse koning Louis XIV. En nog steeds staat hij met een been in de kerk en met het andere in de wereld: hij is bisschop èn hertog.

Geen klooster maar een complot, een priester met een zwaard, opportunist en sofist. Dumas hing alle vooroordelen tegen jezuïeten aan Aramis op.

Baltasar Gracian was een echte jezuïet. Zijn boeken zijn klassiekers in de Spaanse literatuur, waarvan we in Nederland vooral dankzij schrijver en vertaler Theo Kars kunnen genieten. Zonder Kars vermoedelijk geen Gracian in Nederland, stelt Kees Sluys in de VPRO-gids van deze week. In 1979 schreef Kars over Gracian in zijn essaybundel Beschermengelen. In 1990 verscheen zijn vertaling van Handorakel en kunst van de voorzichtigheid (1647), een bundeling van driehonderd ‘levensadviezen’, einde 2008 de vertaling van De criticon of de kunst van het leven (1651-53), een allegorische roman. Ook in december 2008 verscheen, door anderen vertaald, De levenskunstenaar (1646), vijfentwintig verhandelingen over uiteenlopende onderwerpen.

Gracian is een filosoof voor het dagelijks leven, een analist van menselijke betrekkingen. We hebben van anderen niet veel goeds te verwachten, is zijn conclusie; we moeten ons tegen anderen wapenen, is zijn advies. Daarin is hij uitermate onchristelijk, asocialer dan Machiavelli. Uit het Handorakel:

‘Beschik over een zondebok. Daardoor bezit men een schild tegen ontevredenheid, een kunstgreep die van belang is voor regeerders. Het getuigt niet van onbekwaamheid, zoals kwaadwilligen denken, maar van superieur inzicht, over iemand te beschikken op wiens rug de smaad van een mislukking en de schande van algemene afkeuring neerkomen.’

Machiavelli krijgt er overigens flink van langs in De criticon:

‘Het is een immorele staatsman die zich erop toelegt mensen zonder inzicht zijn verkeerde ideeën te voeren (…) een samenstel van immorele en zondige opvattingen. Staatsbelang is bij hem stalbelang.’

Altruïsten haken al af bij het vijfde advies in Gracians Handorakel: ‘Zorg dat men u nodig heeft.’ En laat dat zo, laat mensen in de hoop dat je ze zult helpen, hou ze afhankelijk, eerder dan ze echt te helpen en dankbaarheid te verwachten. Want: ‘wie zijn dorst heeft gelest, keert meteen de bron de rug toe.’ Gracian was een misantroop, omarmd door de realist Voltaire, de pessimist Schopenhauer en de nihilist Nietzsche.

Andere adviezen en wijsheden, geparafraseerd:

– zorg ervoor dat mensen je aardig vinden, want dan pas hebben ze oog voor je talenten;
– je hebt er niets aan jezelf geweldig te vinden, als anderen dat niet vinden;
– je kunt beter geen verplichtingen aangaan, dan ze niet nakomen;
– wie genoeg heeft aan zichzelf is Gods gelijke;
– een succesvol mens is niet jaloers op anderen met succes, maar biedt hen zijn vriendschap;
– houd je van de domme in gezelschap van domme mensen;
– wie vooraf de risico’s van een onderneming niet ziet, zal achteraf de omvang van zijn mislukking niet beseffen;
– houd dwazen en ongelukkigen op afstand.

Eén advies lijkt een verholen pleidooi voor tijdige zelfdoding:

‘Wacht niet tot u een ondergaande zon bent. Een wijze leefregel luidt dat men beter vrijwillig iets kan loslaten dan de greep erop verliezen. Wacht niet tot de wereld u de rug toekeert en u roemloos levend begraaft.’

Toon jezelf in het openbaar zolang je succesvol bent, trek je terug als dat niet meer zo is. En wacht niet met sterven totdat dementie je verstand heeft aangetast. Leef zolang je dat volop kunt. De Franse schrijver Henry de Montherlant volgde dit advies op: hij schoot een kogel door zijn hoofd toen hij, blind geworden, niet meer kon schrijven en vrouwen niet meer kon zien.

De vijfentwintig verhandelingen in De levenskunstenaar zijn uitweidingen over adviezen en inzichten uit het Handorakel, maar voegen er niet veel aan toe. Elk hoofdstuk kan gemakkelijk worden samengevat tot een van de aforismen uit het latere boek. Daarin adviseert Gracian ons bijvoorbeeld veelzijdig te zijn, in een hoofdstuk in De levenskunstenaar verdiept hij dit wat en geeft hij af op mensen die slechts over één onderwerp kunnen praten. Ik citeer, speciaal voor Frontaal Naakt-reageerders die blijven mekkeren over het gevaar van de islam, of dat Hitler links was:

‘Bij de meeste mensen kan men maar voor éen ding terecht, want zij hebben niet de capaciteit voor twee; bij sommigen moet je steeds hetzelfde punt aanroeren en maar over éen onderwerp spreken, waar zij niet los van kunnen komen. Dat zijn de stokpaardberijders die van een conversatie een Sisyphuskwelling maken en je verpletteren onder de steen van hun eeuwige thema. Met reden beeft elke levenskunstenaar voor hen, want hij zal zijn verstand nog uitzweten als een van deze domoren zich op zijn geduld werpt.’

Het is beter alleen te zijn, dan in dergelijk gezelschap te verkeren.

Om aan de censuur van de kerk te ontkomen, gebruikte Gracian pseudoniemen. Zijn magnus opus, El criticon, kostte hem desondanks zijn baan als leraar, hij werd verbannen naar een uithoek van Spanje, en op water en brood gezet. Gelukkig voor hem werd hem slechts kwalijk genomen dat hij het publiceerde zonder toestemming van de oversten van de Societas Jesu, de inhoud van het boek had hem zijn kop kunnen kosten.

Het verhaal volgt de naïeve Andrenio en zijn ‘gids door het leven’ Critilo op een tocht door de wereld (‘een roofdierenpaleis, windpaleis, verzameloord van onrecht, onderkomen van boosaardigheid en het kindse kind’). Hun avonturen zijn niet zo van belang, het gaat Gracian om gelegenheden domheid en schijnheiligheid aan de kaak te stellen.

Een les uit De criticon die onze betuttelende overheid ter harte zou moeten nemen: verbied de deugden,

‘omdat de mens eigenaardig is aangelegd en zo’n merkwaardige voorkeur heeft voor het verbodene dat, als hem iets wordt verboden, hij uitsluitend vanwege dit feit zich ertoe voelt aangetrokken en zijn leven wil riskeren om het te verkrijgen. Om iets aanlokkelijk te maken, kun je volstaan met het te verbieden.’

De criticon is een schatkamer vol menselijke opvattingen, ook de dwaas, de schijnheilige, de hebzuchtige, de domme, de afgunstige en de profiteur verkondigen hun moraal. Citeren doet het werk meer recht dan een samenvatting:

[Er verscheen] ‘een weliswaar uitzonderlijk, maar zeer banaal monster. Het had geen hoofd maar wel een tong, geen armen maar wel een brede rug en een kolossale borst zonder hart. Het had geen handen om daarmee werk te verzetten, maar wel vingers om naar van alles te wijzen. Het lichaam was in alle opzichten wanstaltig. Doordat het geen ogen had, kwam het voortdurend pijnlijk ten val; het vloog in razernij op van alles af om vervolgens terug te deinzen, en was in een oogwenk heer en meester van het plein, waar nu een afschuwelijke duisternis heerste omdat het licht van de waarheid niet meer was te zien.

“Wat is dit voor een gruwelijk gedrocht dat alles in duisternis heeft gehuld?” vroeg Andrenio.

[De Wijze antwoordt:] “Dat is de oudste zoon van de Onwetendheid, de vader van de Leugen, de broer van de Domheid, de echtgenoot van de Boosaardigheid: dat is het Grauw, de kleurloze massa waarover zovelen het hebben gehad.”

Wie hierbij niet instemmend knikt, kan Gracian links laten liggen. Hij bevestigt en verwoordt ervaringen van lezers, die hem lezen omdat ze het met hem eens zijn. Hij is stellig zonder betoog; wie het niet met hem eens is, zal hij niet overtuigen. Maar einzelgänger en non-conformisten halen hun hart bij hem op.

Tot slot van het Handorakel, na 299 adviezen hoe jezelf van anderen te redden, preekt Gracian éen keer als christen:

‘Leef deugdzaam, de deugd is het enige dat telt, al het andere is onzin, zij maakt u tot een voorzichtig, opmerkzaam, wijs, scherpzinnig, begrijpend, dapper, beheerst, rechtschapen, gelukkig, gewaardeerd, authentiek en veelzijdig mens, haar schoonheid is zo groot dat zij genade vindt bij God en de mensen.’

Alle goede karaktereigenschappen komen voort uit de deugd, er staat nog net niet dat de deugd ons nederig maakt, en dat ook dat goed is. Zo redde hij zichzelf en zijn boeken van de brandstapel. Tot slot sprak de jezuïet, ik had graag zijn laatste biecht gehoord.

Alf Berendse wilde ooit priester worden. Hij was pas elf en had nog een heel leven voor zich. Nu wil hij nog steeds musketier worden.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home