Alles wordt helemaal niet beter
Marcel Hulspas

Simon Rozendaal schreef de memoires van een zelfvoldaan wetenschapsjournalist
‘Alles wordt beter!’, zo heet het nieuwste boek van Simon Rozendaal. Maar al in de ‘Proloog’ gaat het fout, en daarna komt het niet meer goed.
Rozendaal schrijft dat we het nog nooit zo goed hebben gehad maar dat we dat niet in de gaten hebben: ‘want we zijn tevens banger dan ooit. Bang dat onze kinderen en kleinkinderen het niet zo goed zullen hebben als wij. Bang voor terroristen…’ en zo gaat hij nog even door.
Maar is dat ook echt zo: zijn we echt ‘banger dan ooit’? Die veronderstelling is een centraal onderdeel van zijn betoog. En een paar pagina’s verder slaat Rozendaal zich op de borst dat hij dankzij zijn chemiestudie weet: ‘wat de essentie van de wetenschappelijke houding is. Dat is hallo, dat klinkt wel leuk, maar is het ook echt waar?’ Dat is precies de vraag die hij niet stelt. Wie wil aantonen dat de mensheid tegenwoordig veel te bang is, moet zich verdiepen in de analyse van enquêtes, en de interpretatie van de daarin gerapporteerde meningen. De lezer zoekt in het hele boek tevergeefs naar deze onderbouwing. We moeten hem maar geloven.
Onuitstaanbaar mannetje
Maar ach, eigenlijk zijn dit gewoon de memoires van een wetenschapsjournalist die het getroffen heeft met zichzelf. Rozendaal wijst voortdurend zonder enige gêne op de lange reeks baanbrekende artikelen die hij in de loop van vijfendertig jaar heeft geschreven. Twee voorbeelden uit vele: zijn allereerste grote verhaal voor de NRC ging over het broeikaseffect, ‘wel 27 jaar voordat Al Gore het met zijn film An Inconvenient Truth wereldwijde bekendheid gaf’ (p. 18). En toen Bjorn Lomborg met zijn boek ‘The Skeptical Environmentalist‘ kwam, in 2001, las hij daarin wijsheden ‘die ik al een jaar of vijftien in Elsevier had beschreven’ (p. 225). En zo gaat het maar door. Je zou bijna denken dat Rozendaal een onuitstaanbaar mannetje is. (Maar ik weet uit ervaring: dat is niet zo.)
Bang of niet – waar gaat dit boek over? Over ouwe koeien. Ten eerste wijst Rozendaal er op dat het leven vroeger verschrikkelijk was. Er was niks, je kon niks, je was ongelukkig, en je ging vroeg dood. Het feit dat het leven tegenwoordig zoveel aangenamer is, zou ons optimistisch moeten maken, vindt Rozendaal, maar dat zijn we dus niet. Ondanks zijn bewonderenswaardige journalistieke inspanningen.
Kuznets-curve
Hijzelf ziet alleen maar vooruitgang. In de evolutie bijvoorbeeld. Biologen zeggen nooit dat daarbij sprake is van ‘vooruitgang’; dat is een misverstand van rond 1900. Het gaat altijd puur om aanpassing aan de omgeving, waarbij ook steeds gecompliceerdere systemen kunnen ontstaan. Maar Rozendaal ziet vooruitgang. Hij vindt zelfs ‘dat er in dode materie een drang tot ordening en samenwerking zit.’ Voor een exacte wetenschapsjournalist is dat, zachtjes uitgedrukt, een opmerkelijke uitspraak. En: ‘ook in alles wat door mensen wordt voortgebracht, zit evolutie en dus vooruitgang. Zelfs in voetbal. Ook dat spel is onderhevig aan de wetten van de evolutie.’ Hij verwerpt de evolutietheorie én rekt de grenzen ervan tot in het onmogelijke op. Ziedaar de rechtvaardiging voor zijn optimisme.
Alles komt goed. Zodra we allemaal welvarend zijn geworden, gaan we volgens Rozendaal allemaal houden van de natuur. Om dat te bewijzen, goochelt hij met de Kuznets-curve. Die laat een historisch verband zien tussen industriële ontwikkeling en inkomensongelijkheid. Naarmate het technologisch peil van een samenleving toeneemt, neemt de inkomensongelijkheid eerst toe, om later weer af te nemen.
Apocalyptische verwachtingen
Rozendaal: ‘De Kuznets-curve is ook toegepast op vervuiling’ (p. 171). Want eerst werd Nederland vuiler, en daarna weer schoon. En dan lezen we op pagina 234 ineens: ‘Daarom is de Kuznets-curve voor natuur en milieu ook zo interessant. Die geeft aan dat wanneer het gemiddelde inkomen van een land boven een bepaalde grens stijgt (zoals in Nederland in de jaren zestig gebeurde), de meeste mensen aandacht schenken aan milieubescherming en de strijd tegen milieuvervuiling.’ Hij herhaalt zijn curve-credo in de laatste alinea: ‘Naarmate we met z’n allen welvarender worden, krijgt de biofilie de ruimte, gaan we fatsoenlijker met elkaar om en lossen onze problemen op.’
Zijn we ‘dus’ onterecht bang? Wat helaas zal blijven (en waar die angst, waar Rozendaal niks over weet te zeggen, om draait), is de onbeheersbare invloed van de mens op deze planeet, versterkt door de groei van de wereldbevolking. Rozendaal vertelt uiteraard dat de apocalyptische verwachtingen die ooit werden verkondigd niet uitkwamen; hij wijst er terecht op dat de spectaculaire groei inmiddels flink is afgevlakt.
Tien miljard aardbewoners
Maar hij vermeldt niet dat we uit zullen komen op tien miljard aardbewoners tegen het jaar 2100. Dat is elke drie decennia een India erbij. Dat betekent een nóg grotere belasting van de toch al zwaar onder druk staande zeeën, de atmosfeer en het landbouwareaal.
Er is dus reden om zeer bezorgd te zijn. Zeker wanneer we volgens Rozendaal ook moeten wachten tot die tien miljard welvarend zijn, voordat er iets gebeurt. De vraag is hoeveel natuur er tegen 2200 nog over is om ons over te ontfermen. Het is een vraag die Rozendaal niet onder ogen ziet.
Marcel Hulspas (1960) studeerde natuur- en sterrenkunde te Nijmegen en Utrecht. Hij publiceerde vele boeken, waaronder enkele titels over UFO-onderzoek, ‘Tussen Waarheid en Waanzin‘, een encyclopedie van de pseudowetenschappen, en ‘En de zee spleet in tweeën‘, over de historische bronnen achter het Oude Testament.





RSS