Tot U Genaderd
Lagonda

Het zal u niet ontgaan zijn. Volksschrijver Reve — wiens werk het leven zélf was — is dood.
Eigenlijk wist ik lange tijd niets over Reve. Ja, dat hij een homo was, en ranzige boeken schreef over kontneukseks met blonde jongetjes. Dat was het wel, en ik had hierom nooit de aandrang gehad me in zijn werk te verdiepen. Provocateurs te over, en ranzige seks, dat kenden we ondertussen wel; niet bijster boeiend om over te lezen. Geen schrijver, dus, waar iets van betekenis te halen viel, dacht ik. Een mens kan zich vergissen, nietwaar? Ik ging mijn eigen gang, zocht mijn eigen antwoorden, en pelde de betekenis van mijn raadselachtige bestaan langzaam los uit de teksten die ik wél las.
Mijn boekenkast begon zich te vullen met vreemde kostgangers; mystieken en esoterici, vrijmetselaars en rozenkruisers. Boeken over gnostiek, hermetica, kabbala en occultisme. Boeken over alchemie, over de planten der Goden, over magie, theurgia, gematria en enochia. Boeken over kundalini en tantra. Boeken van Crowley, Blavatsky, Lévi en Regardie. Boeken over Boeddha en Christus en Mohammed en Abulafia en Nostradamus. Ik leerde een blauwe maandag Hebreeuws om de finesses van de kabbala beter te bevatten, en ik heb zelfs een kopie van het totaal onbegrijpelijke Voynich-manuscript langdurig bestudeerd. Hier ergens moest het staan. Hét! Dát! Datgene waarvan ik niet wist wat het was, maar wat ik zou herkennen zodra ik het zag. Wellicht in de volgende regel, of achter de volgende bladzijde. Wellicht in het volgende boek.
Maar het stond er niet. Wanhopig, werd ik er vaak van. Alle teksten spraken ronkend over het hogere, het ongeziene, het onbegrijpelijke, het ondefinieerbare, om vervolgens met bespottelijke schema’s en modellen op de proppen te komen, of instructies te verschaffen voor nietszeggende en lachwekkende rituele handelingen. Ging drie keer om een eik lopen mij in contact brengen met God, ja? Verkreeg ik daadwerkelijk inzicht door een pentagram in de lucht te tekenen? Of door een elixer te drinken van cinnaber en antimoon? Of door je haar te laten groeien? Het leek mij allemaal onzin, want één ding wist ik zeker: de schepping manifesteert zich overal, en dus is ook de bron van deze schepping vanuit elke invalshoek benaderbaar. Met andere woorden: God moet ook gewoon vanuit mijn luie stoel te vinden zijn. Daar zijn helemaal geen tempels, gebeden of rituelen voor nodig.
En toch, soms, ving ik een glimp op van méér. Tussen alle onzin liep een nauwelijks te volgen spoor van kleine pareltjes, die zich als een snoer van inzicht aaneen lieten rijgen. Jarenlang volgde ik het spoor tot aan de rand van mijn begrip, en keek terug op het kronkelpad dat ik gegaan was. Ik had niets meer over — al mijn mogelijkheden waren uitgeput. Maar dat was niet erg; ik was klaar. Ik had herkend wat ik al kende. Ik had begrepen waar al die mystici naar probeerden te wijzen, en ik had tevens begrepen dat het zinloos was de particuliere ervaringen van een ander naar de eigen hand te zetten. Iedereen probeert zin en controle te ontlenen aan het onbegrijpelijke, waar je dat ook wenst te plaatsen, maar het is de houding die wij zélf aannemen die uiteindelijk van een doorslaggevende betekenis is, en waarmee ook het onbegrijpelijke weer van zin wordt voorzien. Dat is alles. De boeken konden dicht. Ik vatte mijn leven op, en kreeg een baan en een gezin, met in het achterhoofd de dingen die ik geleerd had, actief aanwezig als een secundair controlesysteem.
Wat ik had ervaren, vond ik soms terug in de mensen en de wereld om mij heen. In films, boeken, muziek, of andere kunst. Maar altijd was het verwaterd, onvolledig of aangetast. Nog steeds was ik op zoek; niet naar de ervaring, maar naar de bevestiging ervan. Eentje maar. Een duidelijk teken, om mij te tonen dat ik niet met een volkomen krankzinnig idee in mijn hoofd rondliep. Op aanraden van een vriend las ik “De Ontdekking van de Hemel”, wat ik glimlachend heb gedaan; ook Mulisch heeft er, ondanks zijn rijk gevulde haardos en boekenkast, niets van begrepen. Reeds lang had ik me erbij neergelegd dat het onzegbare deel van mijn ziel onzegbaar zou blijven. Totdat ik, eigenlijk bij toeval, dit gedicht van Reve onder ogen kreeg:
Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.
Woordeloos gaapte ik naar het papier. Hier stond hét! Dát! De kennis van het onbegrijpelijke die ik zelf ook had ervaren, treffender, puntiger, en vooral menselijker verwoord dan ik het ooit had gelezen. Ik wist niet beter dan dat Reve met veel poeha katholiek was geworden, maar hier sprak een gnosticus, een ingewijde, een grootmeester.
Het scheppende en het geschapene hebben logischerwijs een symbiotische relatie met elkaar; een relatie echter die door het geschapene alleen maar subjectief valt waar te nemen. Uit deze situatie komt al ons onbegrip en ons lijden voort. Een lijden dat wij proberen te verzachten middels het uitoefenen van kunstmatige controle; met het wegstoppen van onze duistere angsten en driften; met een omarmen van een eenzijdig perspectief op de wereld, en, met name, door voortdurend te zoeken naar de bevestiging dat we “moreel goed” zijn. Dit maakt mensen tot moraalsadisten; het menstype dat denkt uit te kunnen maken wat goed en slecht is, en er uit zelfbevestiging en controle op gebrand is een kunstmatig moralisme aan anderen op te dringen — dit zijn de heerszuchtige klootzakjes die vooraan lopen in elke politieke of ideologische beweging. Hun volgelingen zijn de moraalslaven; zij die hun beoordelingsvermogen uit handen geven, en bereid zijn groepsgewijs de geleende en kunstmatige moraliteit van hun overheerser tot de dood belijden.
Reve’s werk ademt een diep inzicht in de hierboven beschreven processen. Zijn sadistische homo-erotiek is niet enkel een provocatie; zijn ironie is niet enkel humoristisch; zijn voortdurende heen-en-weer schieten tussen het profane en het sacrale is niet enkel een stijlmiddel. Alles is erop gericht de mens te bevrijden van de weggeborgen dwangdriften in de ziel. Reve weet dat het beter is om het profane van de mens in het heldere licht te zetten; door het te benoemen en te relativeren, omdat ware zelfkennis pas kan plaatsvinden zodra de mens is bevrijd van het schuldgevoel, de angsten en de onmatige driften waarmee hij in deze wereld van moraalsadisten gecontroleerd wordt. Reve de grootmeester leert het mensenkind dat het niet moet dromen over systemen waarmee “alles” omvat en beheerst kan worden — ook dat is immers een kinderlijke en mateloze dwangfantasie — maar dat het mensenkind zichzelf moet temperen, juist door zijn dwangfantasieën niet in schuldbewuste afzondering te koesteren, maar naar waarheid te benoemen, en nuchter te accepteren dat zij niet reëel en haalbaar zijn.
Ook met het controversiële Voor Eigen Erf toont Reve zich een grootmeester:
Onze kassiers op de wegen beroofd
Aan ouden van dagen op kaarslichte dag
Hun beursje met spaargeld ontrukt
Onze roomblanke dochters onteerd
Waarheen mijn vaderland
O Nederland ontwaak
Gooi al dat zwarte tuig eruit
Ons land voor ons
Op naar de Blanke Macht!
Harry Mulisch, weer eens bevangen door een tijdelijke aanval van politiekcorrect fatsoen, reageerde hierop met het nuffige pamflet Het Ironische van de Ironie, en sloeg daarmee de plank uiteraard volledig mis. Reve bedrijft namelijk helemaal geen ironie; dit gedicht is een inktzwarte bezwering, een tot op de letter correct uitgewerkte magische formule, die schokgolven van destabiliserende ontreddering door al die zelfvoldane hippiehoofdjes joeg. Het gedicht werkt op vele niveaus, maar in een tijd dat de tien geboden plaats hebben gemaakt voor de geloofsbelijdenis van het postmoderne multiculturalisme, richt Reve zijn pijlen met name op de nieuwe maat van moraliteit: je bent pas een goed mens als je geen racist bent.
Het is een vreselijke tekst voor mensen die zichzelf op deze wijze een hoogstaande moraliteit hebben aangemeten. Wie dit gedicht toejuicht, laat zich enkel kennen als een racist. Maar wie zich tegen de inhoud verzet, valt door de mand als een moraalsadist. In een wereld die van schijnregels aan elkaar hangt, van regels over hoe het hoort, breekt Reve met alle wetten door te demonstreren hoe eenvoudig het is om buiten deze regels te denken, en gedachten te formuleren die uiteraard even valide zijn als iedere andere gedachte, maar, enkel en alleen omdat ze niet zouden stroken met hoe het hoort, geen bestaansrecht mogen hebben. Gooi al dat zwarte tuig eruit! Op naar de Blanke Macht! Het staat er echt. Hij heeft het geschreven. Hij heeft het bedacht. Andere mensen zouden het kunnen bedenken. U zou het zelf kunnen bedenken. Aan u de taak de inhoud van dit gedicht in haar volledigheid te behappen, en er helemaal niets over te denken.
Dit is het belang van Reve’s nalatenschap; de sterke transformerende kracht die zijn literatuur bezit. Hoog torent hij uit boven de Andere Twee: W.F. Hermans, die als een steriele professor in een al even steriel laboratorium zijn kunstmatige universum in een petrischaaltje op kweek heeft gezet, en eerdergenoemde H. Mulisch, die nooit verder is gekomen dan het herkauwen van andermans brille, en te ijdel is om iets wezenlijks van zichzelf te laten zien. Reve beschikt over een waarachtigheid die ik niet terugvind bij Hermans of Mulisch. Waar zijn kunstbroeders zich vastklampend aan hun boekenkast staande houden, schrijft Reve schaamteloos over zichzelf, schijnbaar instinctief en intuïtief, maar in feite vertrouwend op zijn diepe ervaringen en overtuigingen.
Hij maalde er niet om zichzelf als suïcidale dronkelap, geile pedofiel, dweperige katholiek of sadistische minnaar neer te zetten — het doet er niet toe, als je je vertrouwen eenmaal hebt geschonken aan Hij, die Liefde is. Vandaar zo vreemd dat uit alle herdenkingsprogramma’s blijkt dat vele van zijn fans grote moeite hadden met het idee van een dementerende Reve; met het beeld van de meester die als een klein kind in zijn broek plast, en langzaamaan uitdooft. Ik denk, dat het hem zelf weinig kon schelen. Wellicht zelfs, dat hij zich tijdens zijn heldere momenten in zijn ziekte heeft verheugd. Zoals hij ooit schreef:
Naarmate ik ouder word, wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord, steeds enkelvoudiger van inhoud: liefde (of geen liefde), en ouder worden, en dan de Dood.
Hij was bestemd voor enkelvoudigheid; uitverkoren tot het beleven en uitdragen van de enkele begrippen die er toe doen. Het moment brak aan dat de meester zijn pen moest neerleggen, en ook zijn fysieke wereld woord voor woord werd afgebroken en losgelaten, totdat er zelfs geen woorden of klanken meer waren, enkel gedachten. En daarna nog enkel ervaringen. De aanraking van zijn Joop, die hem in bed wast en zijn kleren verschoont — een reflectie van de liefde. En het lichaam dat zich nog doet gelden, maar zich functie voor functie gewonnen geeft — een reflectie van de dood.
Kort voor het moment van heengaan, in de stilte die ontstaat nadat de illusie van de wereld niet langer meer de ziel begoochelt, en het denken is verstomd tot slechts een zacht gedruis, heeft Reve de enkelvoudigheid bereikt, en bevestigd gekregen wat hij altijd al wist: Liefde — of geen Liefde.
En dan de Dood.
Lagonda is 49 procent mannelijk, 51 procent vrouwelijk en 100 procent esotericus. Haar schrijfstijl wordt door sommigen ervaren als ‘een warm bad’, door anderen weer als ’totaal genadeloos’. Het is maar hoe de pet staat. Meer op de Lagonda blogspot.





RSS