Samira
Rob van Kan

Illustratie: Willy Pogany
Samira was een collega van mij in een van die vreemde bedrijfjes die in die tijd in de logistieke sector ontstonden en die inmiddels richting Oost-Europa zijn opgeschoven. Een grote schare uitzendkrachten uit alle delen van de wereld pakte er computeronderdelen in. Mijn groep van tien inpakkers telde soms tien nationaliteiten – van een plaatselijke Sjonnie van negentien tot een trotse Nigeriaanse dame van tegen de vijftig, en alles daar tussenin.
Ergens achter mijn rug zorgde Samira voor de verzendlabels met behulp van een bonnenprinter uit het jaar nul. Samira was een mooie Berberse meid met zwart haar, zwarte ogen en een huid die witter was dan de mijne. Haar mollige vormen waren nog lang niet uitgezakt. Integendeel zelfs, en dat wist ze maar al te goed. Geen spijkerbroek was haar strak genoeg en ze liep op het soort schoenen die Amy Winehouse al bezong in het nummer Fuck me pumps.
Ik kon het goed vinden met Samira, ondanks de waarschuwingen van de Spaanse studentes, de Afrikaanse vluchtelinges, de Bosnische klaagmoeders (“Bai onz ien Bòòòsnia…”) en de rest. Vooral de andere vrouwen moesten weinig van haar hebben, maar het roddelcircuit vond net als het bonnen printen grotendeels achter mijn rug plaats.
Samira vond het maar vreemd dat ik redelijk veel van de islam wist en toch geen islamiet was. Voor haar was de islam zo iets moois dat iedereen die er kennis van had, er automatisch voor zou kiezen. Maar ze begreep ook heel goed dat ik liever mijn vrijheid had. Eigenlijk zag ze goed in dat de twee onverenigbaar waren.
Op een zeker moment werd er een bowlingavondje georganiseerd. Samira was vooraf heel enthousiast; ze schreef zich in en hield er niet over op. Maar op de dag zelf was ze stil en toen ik haar vroeg of ze ook zou komen, belde ze haar vader. Ze vertelde hem precies hoe lang het zou duren en ze kreeg zowaar toestemming om die avond met ons mee te bowlen.
De bowlinghal lag aan een belangrijke doorgaande weg die iedereen in de stad wist te vinden, maar Samira niet. Ze had een autootje maar ze reed er alleen mee naar het werk en terug, en naar de supermarkt. Ze kende de weg niet in de stad waar ze was geboren en opgegroeid. Maar ze arriveerde op tijd en we hadden een gezellige avond met een man of dertig.
Om exact negen uur – we zaten net aan het bier – ging Samira’s telefoon. De avond zou om negen uur afgelopen zijn en waarom was ze nog niet thuis?
Af en toe reed ze mee met Bilal, die in de buurt woonde. Ze vertelde me dat het veel moeite had gekost om haar vader te overtuigen dat het echt nodig was. Uiteindelijk besloot de man na een ontmoeting dat Bilal als Turk weliswaar een gemankeerde moslim was die het geloof niet op de enige juiste manier beleefde – dat wil zeggen, niet volgens de tradities van het Marokkaanse bergdorp waar hij zelf vandaan kwam – maar het was in ieder geval een moslim en hij was getrouwd bovendien.
Maar op een dag dat Bilal er niet was, had ze autopech. Ik bood haar natuurlijk aan om haar thuis te brengen, maar daar moest ze smakelijk om lachen. “Als je wilt dat mijn vader je prikt…” Ze legde uit dat het echt niet kon. De buren zouden zien dat ze bij een Nederlander in de auto zat en die zouden het haar vader vertellen. Dan zou zij grote problemen krijgen en ik ook, want ze zouden me komen zoeken. Ook als ze, zoals ik voorstelde met in gedachten al die auto’s met vader en zoontje voorin en vier vrouwen op de achterbank, achterin ging zitten. En ze wilde er zelfs niets van weten om twee straten verderop uit te stappen. Die avond liep ze het industrieterrein af en de snelweg onderdoor tot aan de bushalte. Elke andere optie was volledig onbespreekbaar.
Zo af en toe plaagde ik haar door te vragen of ze niet eens gezellig naar de bioscoop wilde met mij. Dat leek ze echt lollig te vinden, zo’n rare Hollander die dwars tegen de geldende regels in ging. En dat verbaasde me nog het meeste. Ze lachte erom, maar ik had haar gezicht gezien toen haar mobieltje ging in de bowlinghal.
Samira ben ik uit het oog verloren toen ik beter werk vond. Een jaar later zag ik haar toevallig bij de FEBO. Buiten stond haar familie haar scherp in de gaten te houden terwijl ze een kipburgertje bestelde. We praatten heel even, maar daarbij bleef ze strak voor zich uit kijken. Stel je voor, praten met een Nederlander. Er zou maar ellende van komen.
Rob van Kan is vertaler Engels en Frans; hij studeerde voor vertaler Arabisch en journalist maar maakte nooit iets af. Daarom woont hij nu in Italië, waar zijn luiheid niet opvalt.





RSS