Pinard
Michiel Mans

Illustratie: Pieter Hogenbirk
In de discussie over bloed en tomatensap schreef José Carmo da Rosa over de voortschrijdende smaakpapillen der Hollanders:
Iedereen boven de 40 kan je dat vertellen Denk bv aan het boek van Reve, De Avonden, en vooral aan de scène met de moeder die dacht wijn te hebben gekocht voor oudejaarsavond, maar het was cider. Vroeger was bv in Nederland wijn drinken gereserveerd voor bijzondere (feestelijk) gelegenheden, nu is het normaal geworden.
Ik kreeg onmiddellijk weer de smaak van het afbijtmiddel ‘Pinard’ in mijn mond. Dat verkocht Appie een tijd in kartonnen literpakken. Heel feestelijk. Hoewel mijn ouders wel smaak hadden, en herkenden, was het wat alcoholische dranken betreft toch een stuk minder. Zoals José al schreef, wijn werd alleen bij bijzondere gelegenheden aangeschaft. Niet noodzakelijkerwijs feestelijke gelegenheden. Drankfestijnen waren zeldzaam maar als zaken uit de hand liepen, waren ze memorabel. Bijvoorbeeld ‘op de boerderij’.
Mijn ouders hadden van 1963 tot 1981 een tweede huis met een bunder grond in Wapserveen. Een zo’n tweehonderd meter van de weg afliggende vrijstaande boerenstulp tussen het noest bebouwde, weelderige Drentse land. Naar achteren begon op vijfhonderd meter de hei. Hierachter lag een voor Nederlandse begrippen groot bos. De stulp werd in vakanties en soms weekenden verbouwd van een primitief bivak met rieten dak, tot een iets minder primitief bivak. Heel romantisch. Voor een tijdje… .
Als kind waren de haast geheimzinnige hoeken en gaten van een dergelijke optrek een feest. Als puber werd het wat minder. Je had de hoeken en gaten inmiddels wel gezien en bovendien waren er andere spannende vakanties te bedenken. Je vriendjes gingen naar het buitenland en jij ging voor de variatie weer eens naar de boerderij. ‘Verwend kreng’, denkt u nu terecht. Dat zagen we later ook wel in maar toen niet.
Dat verwennen had ook een keerzijde. Van de wat late ochtenden, een oud familiespreekwoord zegt: ‘de ochtendstond heeft lood in de benen’, tot het eind van de middag, werd er wel vaak stevig doorgewerkt. Niet zelden ervaarden mijn twee broers, twee zussen en ik, het als slavenarbeid met pa als Atilla de Hun die de kat met negen staarten hanteerden. Soms letterlijk, hoewel het dan geen kat maar een stuk bamboe hengel betrof. Wanneer begint dat feest nou?
Na zo’n dag gedane arbeid werd om een uur of vijf iemand naar de straat gestuurd om een fles bessenjenever te halen bij Café Hof. Dit, al dan niet aangevuld met de eerder ingeslagen pakken Pinard, bracht een ieder in een uitstekende stemming. We konden dan nog wel eens aan het experimenteren slaan. Bijvoorbeeld hoeveel mensen er in een Daffodil passen. Dat was een van de eerste auto’s van mijn oudste broer. Met het verwijderen van diverse deuren en zo nog wat losse plaatdelen, aardig wat.
Kan zo’n gevulde Daffodil dan nog rijden? Dat kan. Ook als mijn zus van dertien achter het stuur zat. Mijn liefde voor Top Gear moet in dergelijke experimenten zijn oorsprong hebben. Zo rond die leeftijd hebben wij allemaal de eerste beginselen van het autorijden op landweggetjes geleerd in pa’s Mini. Ook daar paste overigens heel veel mensen in. De wat beperkte didactische eigenschappen van mijn vader deden soms ietwat af aan dit verder aangename gebeuren. De bessenjenever, Pinard en Romeinse vreetpartijen rond kampvuren, maakten dat je het lijdende rijden, of het carboleumen in de zon, snel weer vergat. Het grote, meestal toeristenvrije bos en het hieringelegen ven ‘Brandeveen’, waar we zwommen, zitten blijvend in de hersenmap. Het zijn veelal prettige herinneringen die ik aan de boerderij heb. Bedankt, José.
Michiel Mans (1956) is grotendeels autodidact, een ‘lezer’ met interesses in geschiedenis, filosofie, politiek en wetenschap. Hij komt uit een nest van ‘boerenverstand’ aan moederskant en een ‘oud koloniaal uitzuigersgeslacht’ aan vaderskant. Een mix van Drents humanisme en rechts reactionair in een liberale, sceptische saus.





RSS