Tien kleine nege…
Michiel Mans

Nu is Pamela ook al weg. Morgen Ebru? Je moet als andersdenkende misschien gewoon sprookjes gaan vertellen. Dan is het veel lekkerder en rustiger zo met je hoofd in het zand. Sowieso begint het op een bekend maar inmiddels o zo fout verhaaltje te lijken. Kent u die van de tien kleine nege…dwarse zwartroepertjes? Het begon zo…
Er waren eens tien dissidenkertjes die in een sprookjespolder woonden, de Keuterpolder. Sommige Keuters in de grote sprookjespolder noemden hen de dwarse Zwartroepertjes. Achter hun ruggetjes roddelden men dat het een lieve lust was. Vanaf de grote Boehtoeter, een hoge boom in het midden van de polder, joelden men de Zwartjes uit. Eén van die Zwartjes, Fouytgaatje geheten, vergiste zich wel eens in een holletje. Daar plaagden ze hem vaak mee maar verder deden ze daar gelukkig niet moeilijk over in de grote sprookjespolder. Behalve dan de net nieuw aangekomen gasten uit de Lapse Waard, een zandvlakte die hééél ver weg lag. Daar had Fouytgaatje het dan ook niet zo op. Ook vond Fouytgaatje het maar niks dat de Lapsientjes altijd maar binnen in hun schamele hutjes moesten zitten met dikke jassen aan. Dat moest van hun grote tovenaar Alhoe, hoewel niemand die ooit gezien of gehoord had. Het stond volgens de Lapse voormannen, door de Zwartjes ook wel oneerbiedig schreeuwlappen genoemd, allemaal in een stokoud prentenboek. Daar las Baardlap, een van de schreeuwlappen, vaak uit voor. Daarna rolden de Lapsen door het stof met hun bipsjes omhoog.
Dat vonden Fouytgaatje en andere Zwartjes allemaal maar raar en bovenal hééél zielig voor de Lapsientjes. Vooral als het warm was buiten. Daar zei Fouytgaatje regelmatig wat van, ‘achterlijke Alhoe’ riep hij dan. Dit zinde sommige Keuters maar niks, moesten die Lapsientjes toch zelf weten of ze dik ingepakt in hun huisjes wilden blijven? Over Alhoe en schreeuwlappen zwegen ze.
Er werd vanuit de Boehtoeter altijd hard gejoeld naar Fouytgaatje als die weer wat over de Lapse tovenaar zei, of andere dingen opmerkten waar de Keuters in de Boehtoeter voor wegkeken of niet aan herinnerd wilden worden. Dan zei Fouytgaatje ‘ach ga toch paddestoelen plukken’, en stak zijn middelvingertje op.
Eén Keuter, die altijd in zijn tuintje wroette en daarom Graafkeuter werd genoemd, zat dat vingertje en al dat paddestoelen plukken geroep goed dwars. Graafkeuter meende ook dat Fouytgaatje door zijn worteltuintje had gerost met zijn Bentley. Keuterse prietpraat natuurlijk maar ja, Graafkeuter lijdde aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis met paranoïde complicaties. Hij snoodde daarom een boosaardig plan. Op een dag liep Fouytgaatje in het park voor de Boehtoeter en toen kwam Graafkeuter vanuit de bosjes stiekem achter hem aan met een Glok, een gemeen soort bostuig en mepte er op los. ‘Au au’ kermde Fouytgaatje en vluchtte weg. Niemand zag hem ooit nog. De dorpsgek, Dikkeuter, ook al zo’n dwarse zwartroeper, zei dat hij ver weg naar de Tosken polder was gevlucht waar alleen hééél lieve wezentjes wonen, de Quattropoortjes. Daar zou hij nooit meer met de verkeerde holletjes geplaagd worden. Toen waren er nog maar negen dwarse Zwartjes in de sprookjesKeuterpolder…
Michiel Mans (1956) is grotendeels autodidact, een ‘lezer’ met interesses in geschiedenis, filosofie, politiek en wetenschap. Hij komt uit een nest van ‘boerenverstand’ aan moederskant en een ‘oud koloniaal uitzuigersgeslacht’ aan vaderskant. Een mix van Drents humanisme en rechts reactionair in een liberale, sceptische saus.





RSS