Fiep
Ilah
Fiep.
Een naam die klinkt zoals haar figuren zouden klinken. Als ze luidop waren. Of zoals een te hard potlood op te glad papier.
Fiep, fiep.
En floep.
Ze is nu twee jaar dood. Maar heeft lang geleefd. Dan lijkt dood gelukkig al wat minder dood.
Misschien omdat dat lange leven er nog lijkt aan te hangen. Bungelend met te korte beentjes op een schommel. Zoals ik ook denk dat een dode met een snottebel er minder dood moet uitzien dan eentje zonder. Ach, nee, doden met snottebellen. Fermol zal hen daarvoor wel behoeden.
Fiep Westendorp heeft niet alleen haar lange leven maar ook haar lijnen. Die kunnen pas lang blijven hangen.
Als een mens die nu eens allemaal aan elkaar kon rijgen, bij elkaar zou spinnen zoals Repelsteeltje dat kon en in één ruk door in elkaar breien of haken zoals alle 87-jarigen; zou hij dan met dat breisel of haakgoed rond de wereld raken en zo ja, hoeveel keer?
Wat voor een reusachtige sjaal zou hij krijgen en hoe warm zou die zijn?
Ja, hoe warm?
Warm genoeg voor dat muffe doffe lagere klaslokaal met boekenkast in een fletse hoek vanwaaruit een felle Pluk lonkte met zijn rare oranje lokken.
Hij leek op het eerste zicht een beetje op het vieze ventje uit de klas. Dat jochie met de kapotte voortanden, natte lippen en het te grote hoofd. Die trol die me om de zoveel tijd in de rij voor de klas grijnzend beetpakte en klef op de mond zoende. Het gekwijl ruik ik nog altijd.
Viezer dan de geur van moederspuug op een papieren zakdoekje. Om iets van een kindermond te vegen. Een kalfverliefd stuk chocolade, een aanhankelijke kruimel of wat flirtzieke filet d’anvers.
Pluk vond ik dus leuk. Onverbiddelijke zoener Geert Crassaert dus niet. Mijn moeder toen dus eigenlijk ook niet.
Pluk was me bevoorrecht want hij was een lijn. Of hij nu zwart was of in kleur, altijd in gezelschap van letters als vaatjes om alles wat ik droomde in op te vangen. Als mallen voor nog wat schimmig gewoel.
Geert Crassaert en mijn moeder hadden geen lijnen en hun letters konden dat niet.
Fieps lijnen waren de figuurtjes waarvan ik zo graag wou dat ze echt waren of, als dat niet kon, waarvan ik wou dat ik net zo niet echt als zij kon zijn.
Ik had maar wat graag een varkensneus gehad, plukken haar als verfborstels en een vrolijk achteruitwippende kont. Zo zou ik door het hele land wippen. Met de kont in de hand kwam ik door het ganse land. Trippelend, tippelend op mijn veel te kleine voeten.
Het is niet eerlijk, zij zijn fictie en ik is echt.
Het zou mijn mantra kunnen zijn. Mijn mamamanmantra.
De allereerste keer dat ik een heel boek uit kon lezen. Het was een cadeautje van de gekke nonkel uit Geel, omnibus over kostschoolmeisjes. Weldadige lust voor mijn snakkende kleine hoofd met strakke pony. Die veilige vrijplaats van fictie plotsklaps. O zo boze meisjes, jaloezie hier en misverstand daar, die doet dit, die zegt dat, zij kijkt zo en zij zus naar haar zus. Eindelijk weer een hol om in weg te kruipen, me in te nestelen zoals eerder in armen of schoten die met de korte jaren te klein of te gevaarlijk waren geworden.
Een evenwijdige wereld. Niet dat de gewone zo afschuwelijk was, nee, hij was alleen niet meer zo precies of genoeg en paste me nooit zo naadloos als een boek dat kon. Een boek had allemaal sterke bladzijden die me opvingen telkens ik dreigde te vallen. En de wereld was als een slechtgesneden kleed. Te dik leek ik er in, te veel volume, te groot of te klein, spannend aan mijn middenrif dat hikken wou.
En dan de stomme absolute verbazing over een boek.
Dat het simpelweg allemaal, alles kon.
Ik alles kon als ik niet echt was geweest.
Zo laat Westendorp me meekijken. Naar die abrupte verbaasdheid van haar personages. Vaak kleine of ontbrekende mondjes, grote holle ogen, in de vlucht lamgelegde ledematen.
Alsof ze hen heeft getekend op een onbewaakt moment. En ze net in haar blauwe lenzen kijken, geschrokken van de lichtflits, van die rare echte dame daar out of the blue, die hen zowaar kon betrappen in hun eigen wereld.
De oorlogsfotografe van de fictie.
Het is alsof ze in elk personage de lezer en zichzelf heeft getekend.
Hoe iemand kijkt wanneer hij verward, wat onthutst, ontheemd opkijkt vanuit een boek.
Zo tekent ze vaak.
Op haar mooist.
Ze kon betrappen als geen ander.
Het zijn de openhangende dromerige tandenmissende monden van mijn kinderen die ik zie toen ik hen ooit te lang geleden- voorlas. Hoe ze opschrikten wanneer ik stopte. Strengheid uitprobeerde. Dat ze nu maar moesten slapen en zwijgen, stil, jongens, stil nu, het is afgelopen, sst, bedtijd, want morgen, morgen weer nieuwe dag met allemaal spiksplinterdroomdingen die zouden, zouden, zouden gedaan en gebeuren.
Vakantieavonden met krekels die kraken, wijn die zong.
Ver ver weg van dat voor mij zo onbestaande nietszeggende holle land, Amsterdam.
Soms staan mensen perplex omdat de auteur of tekenaar van hun zo bejubelde boek maar die mens is die aan die domme tafel zit met die domme wijn en al die domme kop op al diens kromme romp. En al even domweg sierlijk opgekruld, opgedirkt schrijft: voor Elly, van ganser harte, Harry.
Die perplexheid, verbazing is me langzaamaan vreemd geworden, ik heb ze alleen nog bij plaatsen, plekken waar mensen vandaan komen. Alsof ik niks anders dan een heel en erg gekrompen verhaal in hen kan zien.
O, u komt uit Vilvoorde? Dat is toch dat bizargeurende dorp dat zich stad waant? Waarvan elke nietvilvoordenaar paardenbiefsteak beweert te eten bij Kuiperke, terwijl die van Lowieke altijd al lekkerder was?
Of uit Antwerpen? Ahja, die stad met de o zo schone letters op torens en o zo voze klinkers tussen de lippen. Waar een mens te dure kleren en slecht eten gaat kopen. Met visa.
Maar Amsterdam, Fiep, dus. Ojee, onee.
Een uur daar en ik ben een vreemde voor mijn ogen.
Bang voor de holheid achter de open gordijnen. Weet ik veel wat er achter dat ene zichtbare voorkamertje gebeurt, welke mislukte kerstboom, doodgeneukte Sinterklaas of opgedirkte Onze-Lieve-Heer ze daar verstoppen. Al die openheid om zo veel te verbergen.
Die Noorderlingen, meestal wanneer ik ze aankijk, zie ik een gulle gulzige bek tanden iets schroomvalligs beschermen. Alsof ze fluisteren, ja sorry, die tanden, er zit vanalles zachts achter hoor, maar ik mag het niet tonen, die verdomde Calvijn ook.
Maar Fiep, die toont de blozende oei’, net voor ze hun hand naar hun mond kunnen brengen.
Westendorps figuurtjes weten dat ze zich even hebben laten kennen.
Dat we het allemaal gezien hebben.
Betrapt.
Ilah’s strip Cordelia verschijnt twee keer per week in het Vlaamse dagblad De Morgen en wekelijks in Ad Valvas, het blad van de Amsterdamse Vrije Universiteit. En fucking goed schrijven kan ze dus ook al. En ze is mooi.






RSS