Hoge en lage cultuur
Peter Breedveld

Dick Matena (links), Hafid Bouazza (rechts) en een barman van hun favoriete café De Zwart (foto: Rudy Vrooman).
Schrijver Hafid Bouazza en striptekenaar Dick Matena zijn goede vrienden. Van Matena verscheen onlangs het eerste deel van de verstripping van Kort Amerikaans, van Bouazza Het lied van de regen, een bundel vertaalde Arabische poëzie met illustraties van Matena. Frontaal Naakt beleefde een zeer genoeglijke avond met de heren.
Hafid: Mijn roman Salomon is heel erg gebaseerd op mijn ervaringen met strips. Eén van de personages is een eenzame jongen die altijd in strips is verdiept. Hij woont tegenover een flat, dan heb je die ramen waarachter je de televisies ziet flikkeren. Hij kijkt naar die ramen zoals hij een strip leest. Dan moet hij denken aan wat er in die strips gebeurt. In de strip Storm van Don Lawrence, bijvoorbeeld, hebben Storm en Roodhaar wel seks, maar wij zien dat nooit. Ze hebben seks in de ruimtes tussen de stripplaatjes. Die jongen wordt op een gegeven moment gek van dat strips lezen, omdat hij wil weten wat er allemaal tussen die plaatjes gebeurt.
In Salomon’ gebruik ik de strip als metafoor voor hoe je je leven herinnert. Je herinnert je alles in fragmenten, er is geen continuïteit. Het zijn allemaal beelden die al dan niet op hun plaats vallen. Die jongen in Salomon’ wordt krankzinnig. Op een gegeven moment kan hij niet eens een kippenbout eten omdat hij wil weten waar de rest van de kip is. Al die fragmenten, het leven desintegreert letterlijk bij hem.
Salomon’ is heel verdeeld ontvangen. Het boek is óf met de grond gelijk gemaakt óf de hemel in geprezen. De eerste positieve recensie was van Jeroen Vullings van Vrij Nederland. Toen ik hem daarna sprak, bleek hij dezelfde liefde voor strips te hebben. Hij was de enige recensent die die metafoor heeft begrepen.
Maar goed, in dat boek heb ik ook Dick Matena genoemd. Dat is hoe ik met hem in contact ben gekomen.
Dick: Ik had nog nooit van een schrijver gehoord die strips las. Een literator! Dat werd me door iemand van De Bezige Bij verteld, ik was toen met De Avonden bezig.
Hafid: Dat was Susan.
Dick: Ja! Susan belde me op en dat was ook voor het eerst dat ik iets van ontzag in haar stem hoorde. Van: Goh, Hafid Bouazza noemt jou in zijn boek!’
Hafid: Marokko’s hoop in bange dagen. Hahaha!
Dick: De naam Hafid Bouazza was ik wel eens tegengekomen. Ik vond het heel bijzonder. Ik voelde me gevleid. Toen zei ik dat ik hem wel eens zou willen ontmoeten.
Hafid: Zonder dat ik dat wist heb ik ook gevraagd om een ontmoeting met Dick te regelen. Maar toen ik Salomo’ schreef, wist ik niet eens of je nog leefde of niet. Ik wist niet hoe oud je was. En het komt niet vaak voor dat je iemand ontmoet wiens werk je als kind hebt gelezen, en dat het dan ook klikt. Ik heb dat met Gerrit Komrij meegemaakt en nu met Dick Matena.
Dick: Je bent de enige literator die ik ken die iets over strips schrijft, laat staan dat de opbouw van een roman door strip is geïnspireerd.
Hafid: Ik zou ook niet weten waarom je op strips moet neerkijken. Bij de presentatie van het eerste deel van De Avonden’ heb ik ook gezegd dat het toch vreemd is dat de strip in een land als Nederland, met zo’n geweldige visuele historie en traditie, opeens is doodgebloed. Op de boekenbeurs in Parijs of Antwerpen vind je altijd strips. In Nederland nooit. Maar sinds De Avonden’ is het wel aan het veranderen. Ik vind niet dat jij de eer krijgt die jou toekomt.
Ik moet wel zeggen: strips waren een onderdeel van mijn geheugen, maar door hem ben ik me er weer meer in gaan verdiepen. Ik heb me tussen mijn zevende en zeventiende intensief met strips beziggehouden.
Dick: Dat hebben veel schrijvers gedaan, maar dat zijn ze vergeten. Mensen als Ronald Giphart en Joost Zwagerman, je vindt er nooit iets van terug.
Hafid: James Joyce en Nabokov refereren wel heel vaak aan cartoons. Maar er wordt een beetje op neergekeken. Denk je niet? Dat het wordt beschouwd als een inferieure vorm…
Dick: Maar dat is het vaak ook. Toch hoeven de beste strips niet onder te doen voor de beste literatuur of het beste toneel. Er worden ook een hoop baggerboeken geschreven. Maar literatuur wordt altijd gezien als hoge cultuur, en strips als lage cultuur en dat vind ik een enorm vooroordeel, dat in andere landen minder heerst.
Hafid: Ik geloof niet in die verdeling in hoge en lage cultuur. Een goeie striptekenaar is niet minder dan een goeie schrijver. Je moet niet in een strip gaan zoeken wat je in literatuur kunt vinden, en niet in literatuur wat je in strips kunt vinden.
Dick: Als je van Bach en Mozart houdt, waarom mag je dan niet ook van Elvis Presley houden? Het gaat erom dat het in zijn vorm de absolute top is. Ik begrijp dat denken in hokjes en definities niet.
Hafid: Maar dat is nu toch aan het veranderen, hoor. Jawel. Strips worden besproken in de kwaliteitskranten.
Dick: Maar dat is altijd al zo geweest. Er is een piek geweest en dat ging weer te ver, in de jaren zeventig, toen iedere scheet werd besproken. Daarna is het behoorlijk ingezakt. Nu worden heel marginaal alleen de zogenaamde betere strips besproken, niet de gewone strips. Als er een nieuw boek van Martin Lodewijk uitkomt is het een uitzondering als dat helemaal wordt nageplozen. Maar één of ander kutboekje van zo’n Iraanse prinses wordt van A tot Z geanalyseerd. Omdat het slecht getekend is en dus wel kunst zal zijn.
Hafid: En vanwege de politiek, natuurlijk, en omdat het over Iran gaat. Het is een persoonlijk verhaal, het gaat over haar weigering om een sluier te dragen. Dat is actueel, toch?
Dick: Maar als het was getekend als Franquin, neem dan maar van mij aan dat het onder de grond was gemoffeld. Dan had er geen haan naar gekraaid.
(…)
Hafid: Mijn eerste boek, De voeten van Abdullah, is in het Tsjechisch vertaald en geïllustreerd. Dat doen ze in Nederland niet meer, romans illustreren.
Dick: Helaas.
Hafid: Daardoor kreeg ik het idee om mijn vertaalde erotische gedichten te laten illustreren met etsen, maar ik weet dondersgoed dat dat veel te duur is. Geen enkele uitgever zou zich daar aan wagen. Toen zaten Dick en ik in café De Zwart, en tegelijkertijd zeiden we dat we samen iets wilden doen.
Dick: Ik had dat eerste boekje met vertaalde erotische gedichten van jou gelezen, Rond voor rond als een pikhouweel, en toen zei ik: hier zou ik wel eens een paar tekeningen bij willen maken. Alleen wist ik daar geen vorm voor te vinden. En toen zag jij die cover die ik had gemaakt voor het blad Propria Cures, en toen zei je dat je dat voor jouw bundel Het lied van de regen’ wilde.
Hafid: Maar hoe kwam je erbij om die cover voor Propria Cures zo te tekenen?
Dick: Ik had een vrije opdracht, het was een studentenblad. Ik weet niet, ik dacht: het moet iets absurds worden. Dan kom je al gauw op Lewis Caroll en de illustrators van Alice in Wonderland’. Ik ben gek op die tekenaars, A.B. Frost en zo. Ik probeer een beetje met arceringen dat zelfde effect te krijgen.
Hafid: Het leuke aan Dicks illustraties voor mijn bundel Het lied van de regen’ is dat het teruggrijpt naar de negentiende-eeuwse illustraties van vertaalde Arabische literatuur, maar er zit een ironie en een dramatiek in die er toen niet in zat. Geïllustreerde gedichten zijn niet nieuw, maar het wordt nooit meer wordt gedaan. Het is een eerbetoon, maar ook een hervatting van een oude traditie, waar een nieuwe draai aan wordt gegeven.
Daar ben ik heel trots op, op die samenwerking, dat vind ik echt geweldig. Dat gaan we ook weer doen voor het derde deel van mijn Arabische Bibliotheek, een bundel erotische vertaalde gedichten die in september uitkomt.
Dick: Maar in de eerste instantie weten de mensen ook weer niet wat ze dáár nou weer mee aanmoeten. Ik hoop dat er een paar jonge tekenaars naar kijken, dat ze zien dat je ook leuke dingen kan tekenen door te tékenen, en niet alleen maar zitten krassen en van die gadverdamme! kút-poppetjes maken.
De rest van het gesprek tussen Dick en Hafid is te volgen in het augustusnummer van Stripschrift.
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS