Frontaal
Naakt
14 juli 2007

Appelmensen

Loor

2001_01 (24k image)
Illustratie: Miriam Pertegato

Onverdraagzaamheid ten opzichte van de medemens is een lastige eigenschap waar met name de onverdraagzame zelf stevig onder gebukt kan gaan. Daar ik tot de überonverdraagzamen op deze aardkloot behoor, kan ik dit als geen ander beamen. De lijst van zaken die ik niet of nauwelijks verdraag, is lang – heel erg lang. Vandaar dat ik besloten heb een ’top drie’ samen te stellen van zaken en omstandigheden die mijn tenen steevast doen krommen. Of het in de toekomst bij deze shortlist blijft, kan ik u echter niet beloven.

Op nummer drie staat met stip de Appel. En dan bedoel ik eigenlijk: de Appeletende Mens. Om de Appeletende Mens, en dan vooral de fanatieke soort, ga ik, als het even kan, met een grote boog heen. Een dagtaak, want hij is werkelijk overal.

Heeft u wel eens gelet op het zelfingenomen smoelwerk van degene die op tergend langzame wijze grote happen van een appel neemt? Alsof hij of zij al appeletend immuun raakt voor welke terminale ziekte, terroristische aanslag of natuurramp dan ook. Appeleters zijn gewoon heel goed bezig en dat laten ze graag zien door de manier waarop ze hun ongeschilde en vaak ongewassen Granny’s en Jona’s naar binnen werken. Eerst poetsen ze hun appeltje stevig op aan hun smoezelige mouw, om er vervolgens met een superieure blik in de ogen een eerste, ultra langzame, hap van te nemen. Het is namelijk zo lekker nonchalant en kek om je appeltje vooral niet te wassen. ,,Krijg je niks van!”.

Nee, behalve dan dat je – tenzij je een onbespoten versie eet – een shitload aan landbouwgif binnen krijgt, waarmee de boeren hun appeloogst bespuiten. Slechts met warm tot heet water en goed schrobben krijg je deze giflaag van de schil, hoewel gezondheidsfreaks beweren dat het schillen van fruit nog verstandiger is. Landbouwgif is het soort gif dat zich langzaam opslaat in verschillende organen en het lichaam niet meer verlaat. Het is maar dat u het weet. Ongewassen en bespoten appels eten is dus hetzelfde als heel langzaam Hara Kiri plegen. Mooi. Good riddance. Wie het laatst lacht, lacht het best.

De Appeletende Mens is dus overal. Zo zat ik laatst aan de balie van een plaatselijke bankinstelling, alwaar ik nietsvermoedend mijn doorlopend krediet trachtte te verhogen. U begrijpt: ik bevond mij in een afhankelijke positie, die veel tact en verdraagzaamheid vereiste. De vriendelijke bankmedewerkster grabbelde wat in haar bureaula en toverde een – o gruwel – knots van een appel tevoorschijn. Terwijl ze heen en weer liep om mijn meegebrachte documenten te kopiëren, nam ze grote happen en smakte en maalde dat het een lieve lust was. Ik zat als een rat in de val en moest het hele van-appel-tot-klokhuis proces doorstaan.

Appeleters laten ook graag zien dat ze interessant kunnen praten en appels eten tegelijk. Het gemalen appelprakje dat tussen hun lippen goed zichtbaar is, terwijl er met veel bijbehorende consumptie en zure appelwalm wordt georeerd, maakt dat ik in gedachten dingen met mijn appeletende slachtoffers wil doen, waarvoor ik in real life heel lang TBS met dwangverpleging zou krijgen.

Waar komt mijn onverdraagzaamheid jegens de appeleter toch vandaan? Na diepgravend zelfonderzoek ontdek ik dat ik als kind al onpasselijk werd van de geur van afgekloven klokhuizen in de prullenbak van het klaslokaal, waarin ik verplicht 6 uur per dag moest verblijven. De combinatie van een typisch weeïge schoollucht, gecombineerd met de zoetzure stank van ontbindende appelkadavers, was stap één naar mijn onverdraagzaamheid ten opzichte van de immer blij knagende appeleter. Later, tijdens mijn middelbare schooltijd, stond ik in de streekbus ochtend aan ochtend opeen gepakt tussen appeletende medescholieren, die mij met hun malende kaken martelden in mijn nog half aanwezige remslaap. En weer die geur, deze keer gecombineerd met de penetrante en zurige stank van natgeregende en doorrookte windjacks.

Wat zeker een bijdrage heeft geleverd aan de verdere ontwikkeling van deze specifieke onverdraagzaamheid, is dat ik jaren in één ruimte heb gewerkt met een harkerige collega, die iedere dag op hetzelfde tijdstip zijn glimmende ‘an apple a day keeps the doctor away‘ uit zijn attachékoffertje opdiepte, om deze dan in de doodstille ruimte met mi-nu-scu-le hapjes te verorberen. Iedere dag. Op hetzelfde tijdstip. Vijf dagen per week. Dat hij standaard weigerde tot de lunch iets te drinken, maakte dat hij met een plakkerige mond(holte) de rest van de ochtend zijn telefonische verkoopgesprekken voerde. In mijn wildste fantasieën liet ik deze collega, met zijn voeten in het beton gegoten, heel langzaam in de gracht zakken, waaraan het kantoorpand gelegen was. En ja, weer lag daar dat meurende klokhuis mij uit te lachen, vanuit een lullige kantoorprullenmand.

Lang heb ik gedacht dat ik de enige was die deze afwijking bezat, maar ik heb inmiddels een gelijkgestemde medestander gevonden. Godzijdank. Mijn zwager Roderick vertelde mij dat hij onmiddellijk het hazenpad kiest, wanneer iemand in zijn buurt zijn of haar tanden in een appel dreigt te zetten. Een rood waas trekt voor zijn ogen bij het verplicht moeten aanhoren en aanschouwen van welke appeletende mens dan ook. Dat vervolgens ook hij dingen met ze wil doen die het daglicht niet verdragen, is voor mij een feest van herkenning. Uiteraard ben ik benieuwd of wij twee roependen in de woestijn zijn, of dat er nog anderen zijn die onze ergernis betreffende de niet te vermijden appeleter delen.

Tot zover nummer drie van mijn shortlist van meest onverdraaglijke zaken en omstandigheden. Je zult er maar last van hebben. En eet ik zelf wel eens een appel? Jazeker. Maar slechts in totale afzondering. Ik houd mij aan de Gulden Regel: ,,Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”.

Loor (1967) verwondert zich in toenemende mate over het gebrek aan zelfspot en zelfbewustzijn bij haar medemens.

Algemeen