Frontaal
Naakt
3 maart 2008

Dertienhonderdzevenenveertig

Jan van Aken

araki14 (44k image)
Nobuyoshi Araki

De grote bruine rat rende niet weg voor mijn woeste armgebaren en kreten, en ook pogingen om hem met een stok weg te jagen, mislukten; hij hobbelde tien centimeter voort en zat weer stil. Plotseling had de vrolijke chaos van de universiteitscamping van Thessaloniki zijn charme verloren. Een jonge Griekse man kwam aanlopen en vulde een waterfles aan het kraantje. Ik vestigde zijn aandacht op de rat.

You’re right, it’s definitely a rat,” zei de man, zich over het beest buigend, “rattus norvegicus, I’d say.” Hij knikte vriendelijk en vertrok weer naar zijn tent. Mijn zoontje stond van een afstandje te kijken. Ik gebaarde mijn vrouw om hem mee te nemen, want ik zag geen andere mogelijkheid dan het beest te doden. Je wilt niet dat je kind een rattenbeet oploopt. En stervende ratten wekken bij veel mensen oeroude herinneringen op.

De tweede steen was raak; de rat siste luid, kroop twee centimeter en draaide zich toen met een korte siddering op zijn rug. Ik ging op zoek naar Tassos, de oude man die matrassen verhuurde en het meest in de buurt kwam van een beheerder. Hij zat onder zijn bladerdakje te praten met een paar vrouwen. Drie kinderen in een hangmat vochten om het touwtje waarmee je het ding kon laten schommelen.

Tassos noch de vrouwen begrepen mijn boodschap. Ik kende het Nieuw-Griekse woord voor rat niet, maar een bebrild jongetje van een jaar of twaalf verkIaarde zich bereid ons gesprek te vertalen. De helft van alle kinderen hier waren telgen van professoren.

“Maak je geen zorgen,” zei de oude, “Die muizen doen niks.”
No mouse,” zei ik. “This is rat.” Met mijn handen gaf ik het formaatverschil aan. Ratten deden ook niks. “In Greece, rats no problem. We’re used to them,” vertaalde de jongen.

Aan toeristen waren ze duidelijk niet gewend. Ik vertelde dat ik de rat had gedood en dat hij moest worden opgeruimd. Ik wilde hem niet in een vuilnisbak gooien, die werden soms dagen niet geleegd. De oude mopperde dat er geen probleem zou zijn geweest als ik die rat niet had gedood. Wie doet nou zoiets? Ook de vrouwen keken mij hoofdschuddend aan, ik was de domme buitenlander. De kinderen gleden uit de hangmat en verdwenen geruisloos in de richting van het fonteintje. Tijd voor zwaar geschut.

“Dertienhonderdzevenenveertig,” zei ik. De jongen keek me dom aan.

“Vertaal!”

Hij haalde zijn schouders op en vertaalde. Ik ging verder: “In dat jaar komt de pest in dit deel van de wereld. In tien jaar tijd valt een derde van de Europese bevolking ten prooi aan de Zwarte Dood. Het begon bij de ratten in Centraal-Azië, en werd op de mens overgebracht door vlooien.”

De jongen wist niet hoe hij plague moest vertalen, maar de oude had het begrepen. “Panoukla,” zei hij en de vrouwen knikten. “Maar,” vervolgde hij, “die hebben wij hier nooit gehad.”

“En de pest van Thucidides dan?” vroeg een vrouw.

“Dat was de eerste epidemie,” verklaarde Tassos vastberaden, ” en die was achttienhonderd jaar eerder, Eleni. De grote pest is hier nooit geweest.”

“Die eerste epidemie was waarschijnlijk geen pest, maar een ebolavariant,” zei een andere vrouw, “een paar jaar geleden is in Athene een massagraf gevonden met honderden slachtoffers van het Thucidides-syndroom.”

Tassos knikte. “Dat was toch dat graf dat moest verdwijnen voor die parkeergarage?”

“Ja … die vervolgens nooit werd gebouwd,” zei Eleni. Het gesprek nam een verkeerde wending. Hoe kon ik ook wedijveren met drieduizend jaar agorazein? (wat heel mooi klinkt maar in het Nieuw-Grieks eigenlijk zoiets betekent als ‘boodschappen doen’)

Ik had nog een pijl op mijn boog. “Er was nog een derde epidemie,” vertelde ik. “Hij begon in India in de late negentiende eeuw en bereikte in 1899 via Hong Kong San Francisco.”

“En wanneer was die uitgewoed?” vroeg Tassos.

“De tweede epidemie duurde tot in de zeventiende eeuw, de laatste grote haard was Londen,” zei ik. “Het kan eeuwenlang rondgaan, soms lijkt er tientallen jaren niks te gebeuren. De ziekte sluimert. Dan vallen er op een dag plotseling vijf, zes doden, op duizend kilometer of meer van het laatst bekende geval, zoals een paar jaar geleden in Oeganda gebeurde… Die derde wereldepidemie, die is nog steeds gaande.”

Opeens kregen de vrouwen haast. Twee van hen liepen naar het fonteintje en riepen de namen van hun kinderen. “Vassili! Saki! Ga daar weg!”

“Wanneer ga je wat aan die rat doen, Tassos?” vroeg Eleni boos.

“Jij zult het nog ver brengen,” zei ik tegen mijn vertaler, die nu helemaal buiten adem was.

“Ik was vorig jaar in Londen, daar zag ik ze ook, in het park,” zei de jongen. “Alleen zaten ze in de bomen, en ze hadden haar op hun staarten.”

“Dat waren geen ratten, maar eekhoorns.”

Was hier dan echt geen pestepidemie geweest? Ik dacht aan de massagraven, de hoog opgetaste lijkenkarren, de flagellanten en pogroms en aan de chirurgijns met leren vogelmaskers vol beschermende kruiden. En ik verbaasde mij over deze lokale afsplitsing van het collectieve onderbewuste, waarin een rat niets anders is dan een kaal eekhoorntje.

Jan van Aken is al eens de Nederlandse Umberto Eco genoemd. Zijn tweede roman, De valse dageraad, werd genomineerd voor de Seghers Literatuurprijs. Onlangs verscheen zijn nieuwe boek.

Algemeen
Reageren? Mail de redactie.