Geven

Peter Breedveld

Ik geef niet aan goede doelen. Vroeger wel. Ik had een Foster Parents-kindje, maar dat bleek helemaal niet te bestaan. Ik gaf aan Artsen zonder Grenzen en aan Iraniërs die beweerden tegen de mullahs te strijden, maar altijd bleek een driedelig grijs pak met mijn geld een extra onderkin aan het kweken te zijn. En daarom geef ik niet meer. Ook niet aan collectanten. Kankerfonds, Astmafonds, Hartstichting, Rode Kruis, ik stuur ze allemaal weg.

Eerst deed ik dat uit principe, maar tegenwoordig vooral om mezelf te vermaken. Ik wil het gezicht van de collectant zien als ik zeg: “Ik geef niet aan goede doelen”. Hij of zij zal wel regelmatig te horen krijgen dat er al op de girorekening is gestort, maar ronduit zeggen dat je niet aan goede doelen geeft, dat brengt toch altijd een kleine explosie teweeg in het hoofd van collectanten. Soms zie je hun mond open zakken. Vaak is er een kind bij. Die krijgt natuurlijk te horen dat deze meneer alleen voor zichzelf leeft of zoiets.

Een tijdje geleden kwam er een kennis van me aan de deur. Een uiterst onaangenaam, zelfingenomen, hypocriet en achterbaks sujet. Stond mij eens in mijn eigen keuken voor nazi uit te maken, omdat ik volgens haar alle moslims wilde “ausradieren”. PvdA, uiteraard. Ze was met haar dochter, hield een collectebus voor mijn neus. “Nee”, zei ik, “ik geef niet aan goede doelen”. Ze kreeg zowat een rolberoerte. “Ook niet aan Amnesty International?!” Ik zei: “Vooral niet aan Amnesty International.” Ze liep weg, draaide zich nog een keer om en begon: “Toch wil ik…” Maar ze zag in dat er aan mij hoe dan ook geen eer te behalen viel en zwalkte de weg weer op.

Dat was leuk.

Ik geef wel aan bedelaars. Vooral omdat ik iemand zonder geld of schone kleren simpelweg geen geld kan weigeren, terwijl ik zelf genoeg heb. Ik verbaas me over mensen die het wel kunnen. Op het station, zelfs als het druk is, ben ik meestal de enige die geeft. Verder zegt iedereen gewoon “nee”. Gevolg is wel dat ik er altijd word uitgepikt door de heren bedelaars (vrouwen bedelen niet – waarom eigenlijk niet?). Een vriend verweet me mijn goedgeefsheid wel eens. “Daar kopen ze toch alleen maar drank en drugs voor”, zei hij. Dat argument hoor ik vaker. Nou en? Als zo’n man een beetje kleur aan zijn leven weet te geven met wat drank of drugs, doe ik graag een duit in het zakje.

Soms maken bedelaars het te bont. In Utrecht maken ze het allemaal te bont. Daar werd ik eens elke vijftig meter aangehouden door een bedelaar. De eerste was een vrouw (in Spanje zie je trouwens wèl veel vrouwelijke bedelaars), die stond aan een Swirl te lurken. Ik weet niet eens precies wat een Swirl is, maar wel dat ze behoorlijk prijzig zijn. Ik ga dan toch denken: “Kon je niet eerst even die Swirl opdrinken, voor je weer aan het werk gaat?” Ik gaf haar toch twee euro. Swirl, drank, drugs, wat kan mij het schelen.

Verderop werd ik aangehouden door een man die me twee “euro’tjes” vroeg. Ik ben daar eigenlijk niet van gediend, ik maak zelf wel uit hoeveel ik geef. En als ik maar vijftig cent geef, verwacht ik toch een “dankjewel”. Ik pakte twee euro uit mijn portemonnee, toen zei hij dat het ook vijf euro mocht zijn. Ik zei: “Je krijgt twee euro van me, heb je daar problemen mee?” Bedeesd schudde hij van nee. De derde bedelaar vroeg vijf euro. Die heb ik niks gegeven. Ik vroeg: “Zijn jullie net op een grote bedelaarsconventie geweest of zo, waar je met z’n allen hebt afgesproken om voortaan serieuze bedragen te vragen en geen schijntjes meer?” De bedelaar grinnikte wat.

Ik was die dag met iemand, we zullen haar ‘H.’ noemen. Ze is van de nogal goedgelovige soort. We gingen ergens eten en terug op straat werden we prompt weer aangehouden door een bedelaar. Een oude man deze keer, onberispelijk gekleed in – meen ik me te herinneren – een corduroyjasje met een blauw streepjesoverhemd eronder. Hij was slecht ter been, zei hij en hij moest terug naar huis met de bus. Maar daar had hij geen geld genoeg voor. Hij had nog tien euro nodig, zei hij.

Ik ruik het als mensen tegen me liegen en zei nee. H. had echter medelijden en wilde hem helpen. Maar ze had alleen een briefje van vijftig en om dat aan hem te geven, was zelfs haar te gortig. Hij zei: “Dan ga je toch pinnen? Daar is een pinautomaat.” H. wierp tegen dat je niet minder dan twintig euro moest pinnen. “Ik heb een tientje”, zei hij. “Dus dan geef je mij die twintig en ik jou mijn tientje”.

Hier had H. natuurlijk meteen moeten afhaken, maar ze liep naar de pinautomaat, ondanks mijn steeds luidere protesten. Ze pinde twintig euro en hield dat de man voor. Die greep in zijn broekzak en haalde daar een briefje van twintig uit, dat hij snel weer terugstopte.

Eindelijk werd H. wakker.

“Wacht eens even”, zei ze. “U hébt al twintig euro!” De man zei: “Niet waar”, maar hij besefte natuurlijk wel dat hij het verbruid had. “Smerige parasiet”, zei ik tegen hem. “Wat een vies, vuil, achterbaks, leugenachtig stuk ongedierte bent u.” – “Laat me met rust!” zei de man. Maar daarvoor was het te laat. Hij nam snel de benen maar ik ben ‘m nog een paar honderd meter gevolgd om ‘m in te wrijven wat een stuk menselijk vullis hij was, parasiterend op de goedheid van heilige pakezeltjes als H.

“Wat ben jij vreselijk hard”, zei ze toen ik terugkwam.

Steun Frontaal Naakt! Stort gul op rekeningnummer 393444961 (Rabobank Rijswijk) Conan, bedankt! Naakte Molrat, bedankt! Kan ik weer een paar uur juridische bijstand van betalen!

12 juli 2008 — Algemeen

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home