Bruine man
Peter Breedveld

Foto: Hiroyo Kaneko
Nog maar vier jaar geleden stond ik met mijn nu negenjarige dochter in Disneyland naar Minnie Mouse en Katrien Duck te zwaaien. Ze zei: “Het mooiste is dat ze echt zijn! Deze zijn niet verkleed!”
Afgelopen vrijdag was ik weer met mijn kinderen in Disneyland, waar we een grote zwarte man zagen. Ik was net zijn vrouw aan het bewonderen toen mijn dochter zei: “Het is misschien een beetje gek om te zeggen, maar ik wil later eigenlijk ook wel een bruine man.”
Het gaat hard, lieve mensen. En kinderen zijn het leukst als ze nog klein zijn en hun vader als de ideale man beschouwen. Gelukkig was de zwarte man snel vergeten toen ze in één van de souvenirwinkels een pluchen babyleeuwtje zag. Ze liet me niet met rust totdat ik dat leeuwtje voor haar had gekocht. Het ding gaat overal met haar mee en af en toe zie ik haar stil zitten, met dat leeuwtje in haar armen, als een echte baby.
Verder hebben we in Disneyland Goofy ontmoet. Hij was niet te beroerd om met mijn kinderen te poseren voor de foto. Kijk, en dat is Goofy. Altijd zijn gewone zelf gebleven. De roem is hem niet naar het hoofd gestegen, zoals zijn vriend Mickey. Daar zie je hoogstens een glimp van, als-ie op weg is naar ongetwijfeld de zoveelste duur betaalde schnabbel. Hij zou je nog laten betalen als je snel een foto van hem nam.

Wie we ook zagen: Jack Sparrow, uit Pirates of the Caribbean. Maar volgens mij was het hem niet echt. Hij zei helemaal niks, zwaaide alleen een beetje dronken met zijn handjes. Kijk ‘m waas uit zijn ogen kijken, dan. Een gelobotomiseerde Jack Sparrow.

Van alle attracties, dus Pirates of the Caribbean, waar je per bootje door een door piraten belegerd stadje vaart, en Peter Pan – een soort Droomvlucht, maar dan over Londen heen naar Never Never Land, Pinokkio en al die andere spectaculaire kijkdoostheaters, vonden de kinderen het rijden in een autootje het leukst.
Gewoon rondjes rijden in een autootje. Dat wilden ze nog een keer, en nog een keer. Goed dat we niet speciaal voor Disneyland naar Parijs zijn gereden. Ik besloot er onderweg naar Zuid-Frankrijk te stoppen, om niet dat hele pokke-eind in één keer te hoeven rijden.
Ik haat autorijden. Ik geloof dat ik één van de weinige mannen ben die autorijden haat, en die totaal ongeïnteresseerd is in auto’s. Autorijden is saai en vermoeiend en ik trek mijn opgefokte medeweggebruikers niet. Van die types die overstuur raken als je ze inhaalt.
Al dat vakantievee op de weg, en op de rustplekken erlangs. Die vieze wc’s, die overvolle prullenbakken. Die lelijk geklede mensen, die veel te dure benzinepompbroodjes wegknagen. Die dikke kinderen.
Allemaal zijn we op de vlucht voor de rigide troosteloosheid van ons dagelijkse bestaan, om een paar weken de illusie te koesteren dat we de kunst van het leven nog niet zijn verleerd. Kleverige inktvisringen voor een tientje, zo’n salade met maiskorrels en twee olijven voor 17,50. “Ach, het is vakantie. Eén keer in het jaar mag je genieten.”
Vakantievieren is escapisme, bij mij steevast resulterend in een depressie zodra ik weer terug in Nederland ben.
Complete waanzin, eigenlijk.






RSS