De Armeense genocide (3)
Tayfun Balçik
In het debat over de Armeense genocide is het Turkse verzet tegen het feit dat Armeniërs en andere christelijke minderheden zijn uitgemoord schandalig en welhaast uniek omdat het al zo lang voortduurt. Maar de ontkenning an sich is geen typisch Turks verschijnsel. Het verzwijgen van onwelgevallige informatie over de ‘eigen’ groep komt vaker voor.
Als je bijvoorbeeld kijkt naar de geschiedenis van wat je nu de alomtegenwoordigheid van de Holocaust in de Nederlandse media kunt noemen, dan is het haast ondenkbaar dat er in Nederland een periode was dat er juist niet over de Holocaust werd gesproken. Er ging een hele tijd van verdringing aan vooraf. Nederlanders hadden geen boodschap aan het feit dat Joden hadden geleden. De Nederlanders hadden zelf geleden! De bezettingstijd was voor hun al erg genoeg. Dat ze zich ook nog schuldig moesten voelen over het lot van hun Joodse landgenoten… Nee, in de wederopbouw was daar geen tijd voor. Pas na de 21-delige serie De Bezetting van de historicus Lou de Jong, in de jaren zestig, ontstond er enige discussie over de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het koloniale verleden, waarbij de Nederlandse staat en de Nederlanders in algemene zin gecategoriseerd kunnen worden tot de dadergroep.
Fascistische viering
Maar goed. Two wrongs dont make a right. En al helemaal niet als je die relatief korte periode van Hollands doodzwijgen over de Holocaust vergelijkt met de 100-jarige ontkenning – en af en toe zelfs fascistische viering – van de Armeense genocide in Turkije.
Toch begrijp ik waar de Turkse ontkenning vandaan komt en wil ik hierbij mensen oproepen om de kalmte bewaren, de dialoog te blijven aangaan en ‘de Turk’ niet al bij voorbaat te veroordelen tot die conservatieve barbaar.
Volgens mij zijn er twee soorten ontkenningen. Ten eerste de cynische variant: je doet iets verkeerds, je weet dat daar een straf tegenover staat en om die straf te ontlopen, ontken je dat je er iets mee te maken hebt. Dit is de ontkenning van Talat, Enver en al die andere unionistische Jong-Turken met bloed aan hun handen.
De memoires (A. Kabacali: Talat Pasa’nin Anilari, Istanbul 1986) van de politicus Mehmet Talat Paşa stikt er van. Deze sluwe, berekenende moordenaar was zich terdege bewust van de misdadige politiek die hij en z’n vrienden bedreven.
Islamitische vergrijpen
Zo probeert hij, als voortvluchtige in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, alle verantwoordelijkheid op het ministerie van oorlog, onder leiding van Enver Pasa, te schuiven. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij niet aan zelfverrijking heeft gedaan, want ‘achter de linies werd misbruik gemaakt van de oorlogstoestand door militaire officieren’1.
Over de deportatiewetgeving: ‘vanwege ongeregeldheden in de oostelijke provincies is in de Algemene Raad de wet van de Armeense migratie geformuleerd en in werking gesteld. Ik was al vanaf het begin tegen dit beleid’2.
Hij vervolgt: ‘na de gebeurtenissen in Van, waar moslims zijn vermoord en onze vrouwen zijn verkracht, heeft het leger er weer op aangedrongen om de migratiewet uit te voeren, maar ik was er weer op tegen, omdat het een gebruik was geworden dat de minste islamitische vergrijpen ten aanzien van een christen overdreven werden uitvergroot in Europa. Ze zouden zoiets in ons nadeel kunnen gebruiken’3.
Vervolgens ontstaan er volgens Talat overal opstanden en worden er wapendepots gevonden, waardoor de situatie in Anatolië lijkt op een burgeroorlog. De ‘verhuizingspolitiek’ moest, zo betoogt hij, vanwege deze chaos in het hele land ten uitvoer gebracht worden4.
Uiteindelijk komen, in verbloemende termen, de Armeniërs ter sprake: ‘Ik heb verschrikkelijke dingen gehoord, waarop ik direct inspecteurs naar de plaatsen van onheil heb gestuurd om de misbruiken een halt toe te roepen. Het moet opgebiecht worden dat vele Armeniërs zijn omgekomen tijdens de migratie en opstanden, maar het is een feit dat een gelijk aantal moslims in die provincies zijn omgekomen’5.
‘Het was een militaire maatregel die in de handen van wrede en karakterloze officieren rampzalig is uitgevoerd, maar om de hele regering hiervan verantwoordelijk te houden is niet juist’6.
Eigen kant van het verhaal
Talat Pasa erkent dat er moordpartijen zijn gepleegd, die hij overigens onterecht relativeert met ‘een gelijk aantal’ moslimdoden, omdat de meeste moslims als soldaat op de slagvelden zijn gestorven. Dit terwijl het leeuwendeel van de Armeense slachtoffers onschuldige onderdanen/burgers waren. Talat erkent het, maar zegt dat hij er zelf niks mee te maken.
We weten uit meerdere bronnen dat hij ook andere dingen heeft gezegd. Maar het gaat mij om het volgende: als je alleen dit ego-document, of soortgelijke dingen, leest of hebt gehoord over 1915-16, dan is het niet zo gek dat je dit als goede burger van de Turkse staat herhaalt. En dit is precies wat vele Turken, lang nadat de republiek in 1923 gesticht was, voorgeschoteld hebben gekregen. Ze hebben alleen maar ‘hun eigen kant’ van het verhaal.
En dat is waar de cynische ontkenning van Talat en zijn moordenaarsbende vermengd raakt met ontkenning uit onwetendheid. De meeste Turken identificeren zich als Turk met het ontkenningsverhaal van mensen waar je goedbeschouwd eigenlijk nooit iets mee te maken wil hebben. Dat is wat nationalisme doet met mensen. De individiuele identiteit wordt gedomineerd door de collectieve Turkse identiteit, die alleen goede eigenschappen zou bezitten.
Plaatsvervangende schaamte
En zolang er niet geinvesteerd wordt in onderwijs, onderzoek, collectieve therapeutische sessies op tv, zal dat ook zo blijven. Ook in Nederland. In het debat hier is er ook iets grondigs mis.
Niet zo lang geleden zag ik bij Pauw een groep Turkse en Armeense Nederlanders met elkaar ‘discussieren’. Het was zo bedroevend, dat ik geen plaatsvervangende schaamte meer voelde en spontaan begon te lachen. Ik keek naar die aflevering van Pauw en dacht aan wat de vermoorde Armeens-Turkse journalist Hrant Dink in een interview ooit zei.
In een emotionele oproep aan de Armeniers zei hij: ‘In de felle ontkenning van Turken van de gebeurtenissen in 1915-16 kan je ook iets eerbaars zien. Probeer in die ontkenning een eervolle positie te zien. Wat is die eervolle positie? Dat is: “dat ik als Turk tegen genocide en racisme ben. Genocide is iets goddeloos. Mijn voorvaderen kunnen zoiets niet doen, want ik zou zoiets niet doen. Kijk, dit is dus die eervolle positie’. Dat zegt hij in een interview die je hier op Youtube kunt bekijken.
Werkloze Turk
Dit is volgens mij de manier hoe je gevoelige materie moet bespreken. Er de tijd voor nemen. Een Jeroen Pauw, die namen van jongeren opnoemt voor een korte reactie en dan weer snel naar het volgende onderwerp gaat, dat is niet de manier.
Want ik kan me heel goed inleven in een werkloze jonge Turk in Nederland. Na de zoveelste sollicitatiebrief ploft hij op de bank, zet de tv aan en hoort dat zijn voorouders nazi’s waren. Wil je weten hoe dat voelt? Dat voelt alsof er in je gezicht wordt gedrold, terwijl je piekert over hoe je de volgende rekening moet betalen.
Lees de vorige afleveringen hier en hier. Tayfun Balçik is historicus, gespecialiseerd in de moderne geschiedenis van Turkije en die van Amsterdam-West. Hij heeft een Facebook-pagina.
1. [A. Kabacali, Talat Pasa’nin Anilari (Istanbul 1986) 53.]↩
2. [Kabacali, Talat Pasa’nin, 82.]↩
3. [Ibidem, 82.]↩
4. [Ibidem, 93.]↩
5. [Ibidem, 94.]↩
6. [Ibidem, 95.]↩
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.






RSS