Frontaal
Naakt
19 augustus 2026

De economie is veerkrachtig. Bij u is de rek eruit

Werner de Gruijter

Het CPB ziet een economie die hogere prijzen opmerkelijk goed weet te verdragen. De Nederlander ziet zijn buffers slinken. Beide waarnemingen kunnen waar zijn – en toch vertellen ze niet hetzelfde verhaal. Precies in dat verschil schuilt een blinde vlek: wie vooruitgaat, wie achterblijft en hoe die afstand ongemerkt kan groeien – tot het niet meer alleen over geld gaat, maar over macht.

Afgelopen vrijdag bracht de Volkskrant geruststellend nieuws. „Opluchting voor kabinet: licht dalende koopkracht hoeft niet te worden gestut, vindt het CPB”, luidde de kop boven een artikel van economieredacteur Yvonne Hofs. Nederlanders blijven ondanks hogere energieprijzen consumeren. Een deel van hun tijdens corona opgebouwde spaargeld spreken ze inmiddels aan, maar zolang de uitgaven op peil blijven, lijkt extra koopkrachtsteun niet direct nodig. CPB-directeur Pieter Hasekamp vat het bondig samen: „De meeste huishoudens kunnen de hogere energiekosten op dit moment opvangen.”

Lees dat nog eens langzaam.

De boodschappen worden dus duurder. De energie wordt duurder. U haalt geld van uw spaarrekening om ongeveer hetzelfde te kunnen blijven doen als gisteren. En juist omdat u dat nog kunt, is er minder reden om u te helpen. De lezing van het CPB en de werkelijkheid aan de keukentafel kunnen dus allebei kloppen. Maar ze vertellen niet hetzelfde verhaal. Boekhoudkundig hoeft daar niets mis mee te zijn. Menselijk begint het te wringen. En precies daar begint het politieke probleem. Want wanneer gaat het eigenlijk goed met een economie – en voor wie?

De kaart en het landschap

Een economie kan groeien terwijl de opbrengsten daarvan steeds schever terechtkomen. En als onze belangrijkste graadmeters vooral registreren wat er gebeurt met groei, consumptie en inflatie, kunnen veranderingen in bezit, macht en bestaanszekerheid verrassend lang in de schaduw blijven. Niet omdat de cijfers verkeerd zijn, maar omdat iedere blik ook een schaduwkant heeft: wat je meet, bepaalt wat er onbelicht blijft.

De Britse gedragseconoom Cahal Moran houdt zich al jaren met die economische blik bezig. Hij is Visiting Fellow aan de London School of Economics en mede-auteur van The Econocracy, over de macht van economische expertise in publieke besluitvorming. In een interview dit jaar op HowTheLightGetsIn, het Britse filosofie- en muziekfestival van het Institute of Art and Ideas, vertelt Moran hoe zijn twijfel begon.

Tijdens de eurocrisis studeerde hij economie in Manchester. Buiten stond Griekenland letterlijk in brand; binnen gingen zijn colleges over diagrammen, jargon en wiskunde. De crisis zelf kreeg volgens hem niet eens een vermelding. Alsof het landschap zich niet helemaal aan de kaart hield.

Volgens Moran werkt die manier van denken door in beleid. Groei, inflatie, werkloosheid en rente zijn nuttige cijfers. Maar wanneer zij ook bepalen wat we als economisch probleem herkennen, raakt gemakkelijk een andere vraag uit beeld: wie profiteert, en wie betaalt?

Neem inflatie. Stel dat olie duurder wordt doordat er minder beschikbaar is. Benzine wordt duurder, vervoer wordt duurder, productie wordt duurder – en uiteindelijk betaalt u meer in de winkel.

De gebruikelijke reactie van centrale banken is de rente verhogen. Hypotheken en bedrijfsleningen worden duurder, gezinnen en bedrijven geven minder uit, de economie koelt af – en daardoor kan de inflatie dalen.

Maar er is door die renteverhoging natuurlijk geen druppel olie bij gekomen. Een deel van de prijsdruk wordt dus bestreden door gezinnen en bedrijven minder ruimte te geven om geld uit te geven. Moran wijst erop dat ook andere reacties mogelijk zijn: overheid, werkgevers, werknemers en vakbonden kunnen bijvoorbeeld gezamenlijk proberen prijs- en loonontwikkelingen te beheersen.

Zijn punt is niet dat rente nooit omhoog mag. Zijn punt is dat één beleidskeuze al snel wordt voorgesteld als datgene wat ‘de economie’ nu eenmaal vereist. En zodra dat gebeurt, verdwijnt iets cruciaals uit beeld: er wordt ook besloten wie de pijn moet dragen.

Dan dringt zich een ongemakkelijke vervolgvraag op. Wie beslist daar eigenlijk over?

Wie beslist?

In Europa wordt het monetaire beleid vastgesteld door de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank: de zes directieleden van de ECB en de presidenten van de nationale centrale banken. Aan die tafel zitten geen gekozen volksvertegenwoordigers, vakbonden of consumentenorganisaties. Dat is bewust zo geregeld: onafhankelijkheid moet voorkomen dat regeringen monetair beleid voor politiek gewin op korte termijn gebruiken. Verantwoording legt de ECB wel af aan het Europees Parlement.

Maar onafhankelijk betekent niet neutraal. En daar schuurt het… Een rentebesluit kan de ene burger hypotheekruimte kosten, een ondernemer tot uitstel dwingen en een vermogensbezitter juist extra rendement opleveren. Technisch besluit, maatschappelijke gevolgen. Moran wijst precies op dit probleem. Economisch beleid is volgens hem steeds technocratischer geworden: belangrijke beslissingen zijn ondergebracht bij onafhankelijke instituties, worden besproken in specialistische taal en raken zo losgezongen van het democratische debat. Hij wil deskundigen niet afschaffen. Hij wil dat hun aannames, keuzes en gevolgen beter zichtbaar en bespreekbaar worden.

Goedkoop geld, twee werkelijkheden

De huidige problemen in Japan laten zien waarom dat geen academische discussie is. Decennialang draaide Japan op extreem lage rente. Daarmee bestreed de Bank of Japan stagnatie en deflatie en bleef ook een uitzonderlijk grote staatsschuld beter draaglijk. Inmiddels bedraagt die schuld volgens het IMF nog altijd meer dan tweemaal het Japanse bbp en probeert de centrale bank het tijdperk van vrijwel gratis geld voorzichtig af te bouwen.

Juist nu wordt zichtbaar wat Moran bedoelt. In het vertrouwde verhaal over rente, inflatie en financiële stabiliteit bleef gemakkelijk buiten beeld dat niet iedereen op dezelfde manier van dat goedkope geld kon profiteren. Voor een Japans huishouden eindigt zo’n spanning niet in een economisch model. Een zwakkere munt en duurdere import landen uiteindelijk bij de benzinepomp, op de energierekening en in de supermarkt.

Voor internationale beleggers had diezelfde extreem lage rente jarenlang een heel andere betekenis. Zij konden goedkoop yen lenen en het geld vervolgens beleggen in landen waar aandelen en obligaties meer rendement opleverden: de zogeheten carry trade. Goedkoop Japans geld werd zo, jaar na jaar, brandstof voor financiële winsten elders.

De kansen van goedkoop geld konden zich dus vooral bovenin verzilveren. De rekening van een zwakke munt landt veel breder: bij iedereen die tankt, verwarmt, eet of huurt.

Hoe de huidige omslag uitpakt, weten we nog niet. Misschien verliezen beleggers miljarden. Misschien betaalt de gewone Japanner het gelag. Misschien dreunen de schokken, via al dat goedkope Japanse geld, door tot ver buiten Japan. Onder al die scenario’s ligt dezelfde vraag – een vraag die achter vrijwel ieder economisch beleid schuilgaat en die we opvallend weinig stellen: wie krijgt de opbrengsten wanneer het goed gaat, en wie krijgt de rekening wanneer het misgaat?

De geschiedenis geeft weinig reden om erop te vertrouwen dat die verdeling vanzelf eerlijk uitpakt.

Wanneer ongelijkheid macht wordt

De economisch historicus Bas van Bavel, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, laat in De Onzichtbare Hand zien hoe succesvolle markteconomieën juist door hun succes steeds ongelijker kunnen worden. Wie al vermogen bezit, kan makkelijker investeren, goedkoper lenen en langer wachten. Vermogen kweekt vermogen. Na verloop van tijd kan die voorsprong worden omgezet in politieke invloed.

En daar verandert het probleem van karakter. Wanneer economische macht steeds ongelijker wordt verdeeld, wordt ook de mogelijkheid kleiner om die ongelijkheid langs gewone democratische weg te corrigeren.

Want degenen die het meest profiteren van de bestaande inrichting beschikken gaandeweg ook over meer mogelijkheden om die inrichting te beïnvloeden en te beschermen. In Van Bavels historische gevallen volgden maatschappelijke polarisatie, groeiende tegenstellingen en uiteindelijk stagnatie en verval. Soms leidde de onvrede tot opstanden; soms reageerden gevestigde elites daarop met repressie.

Het verontrustende is dat zo’n omslag niet noodzakelijk begint met een zichtbare crisis. Een economie kan nog groeien terwijl bezit steeds ongelijker wordt verdeeld. Financiële markten kunnen floreren terwijl bestaanszekerheid afneemt. Van Bavel laat zelfs voor de Nederlandse Gouden Eeuw zien dat brede groepen hun maatschappelijke positie en koopkracht al zagen verslechteren terwijl de economische bloei nog volop doorging.

Samen maken Moran en Van Bavel iets fundamentelers zichtbaar: wat economisch buiten beeld blijft, kan politiek steeds machtiger worden; en uiteindelijk mede bepalen wat we daarna nog als ‘economische noodzaak’ beschouwen.

De blinde vlek

Het probleem is dus niet alleen dat de opbrengsten van economische groei ongelijk verdeeld kunnen worden. Het probleem is dat we economische gezondheid zo zijn gaan meten dat die ongelijkheid moeiteloos uit beeld verdwijnt. En daarmee zijn we terug bij het bericht waarmee dit verhaal begon.

Een huishouden ziet energie en boodschappen duurder worden en spreekt zijn spaargeld aan. Het CPB ziet dat de consumptie op peil blijft. Beide waarnemingen zijn waar. Maar ze vertellen niet hetzelfde verhaal.

Dat is de blinde vlek die Moran blootlegt. Zodra groei, inflatie, consumptie en financiële stabiliteit de taal worden waarin we bepalen of het economisch ‘goed’ gaat, kan de verdelingsvraag naar de achtergrond verdwijnen. Een beslissing die sommige groepen beschermt en andere laat inleveren, verschijnt dan niet langer als politieke keuze, maar als economische noodzaak.

En naarmate vermogen en economische macht ongelijker verdeeld raken, wordt die blinde vlek gevaarlijker. Want dan gaat het niet meer alleen over wie het grootste stuk taart krijgt. Maar over wie het mes vasthoudt.

Misschien moeten we economische cijfers daarom anders leren lezen.

Niet alleen: groeit de economie? Maar: voor wie groeit zij?

Niet alleen: blijft de consumptie op peil? Maar: wie betaalt daarvoor?

Niet alleen: blijft het financiële systeem stabiel? Maar: wie moet zich aanpassen om het stabiel te houden?

En uiteindelijk misschien de belangrijkste vraag: wie heeft de macht om ervoor te zorgen dat het antwoord de volgende keer anders uitvalt?

Want het meest verontrustende aan het CPB-bericht is niet dat er iets onwaars in staat. Het is dat alles erin kan kloppen terwijl we toch iets wezenlijks missen.

De Nederlander spreekt zijn spaargeld aan. Het systeem registreert veerkracht. Bij u is de rek eruit.

Werner de Gruijter is psycholoog en docent sociale wetenschappen.

Nieuwsbrief